Zijdezacht

De zon maakt met zacht penseel
de dag tot schemering in kleuren
geuren weven zich ineen
dringen door ramen en deuren

Het leven lijkt wel stil te staan
waar men niet gehaast de ramen sluit
wacht tot de dag is uitgegaan
tot men overgaat naar dit besluìt

Rozen door de nacht van kleur ontdaan
geuren daarentegen hun aroma waard
en voor het blad zal zijn vergaan
hebben ze hun tijd gehad, hier in de gaard 

Wind beweegt de toppen
bloemen in zijn knoppen

zie ik de dauw gespreid
druk ik aan mijn boezem
de bloem waarop een dauwdrup blinkt
nog voor de zon in d’aarde zinkt

een traan die blinkt in d’ochtendgloed
heeft dauw de blik verzoet

bij het huis grazen de paarden
achter hof en gaarden
het panorama biedt een beeld
van uitstraling in peis en vree 
het mooie zicht, het heilzame bezit
voor hart en zielenrust
is niet op woorden belust 

        ik hoor de wind
       mei is in de bomen
       hij is welgezind
       en van ver gekomen 

De avond heeft ontroerd,
zacht de sluimering gekust
geen zuchtje meer vernomen
in’t loof van berkenbomen
wind die waaide is gaan liggen
heeft de geur van bloemen doorgegeven
onzichtbaar dooreen de ruimte geweven
=============
ik wandel in de nacht van verwachting
de kleuren van verkoold glas
bedrog….. de ondergang in as van
een wereld die gekanteld was

Hoor ik daar
het ruisende vlas
dat zich graag laat strelen
terwijl de meidoorn bloeit
en geurt zolang het groeien mag

zie ik door het raam de weelde
die de zomer kwistig spreidt
kan ik alleen maar hopen dat
mijn tijd, oh God een eeuwigheid duurt 

als kind betrad ik menig pad
liep over wilde bloemen heen
nam een vlinder voorzichtig in de hand
ze waren mooi, vol kleur en honingzat

daar bij het ruisende vlas 
en overal waar liefde was 

1 MEI

ik pak de lente en open haar heel voorzichtig

Een warmte komt me tegen fijn als spinrag
een blauw dat geurt naar vlinderadem
en gesternten van de madelief, allemaal, maar
tegelijkertijd ook vele kruipende of gevleugelde
insecten, slangen, hagedissen, rupsen en
ander ongedierte van allerlei kleur
met draderige voelsprieten
schubben van goud, lamé en rode lovertjes

Alle, lijkt ’t wel, gereed om te gaan
naar het gekostumeerde bal van Hades

                                 ODYSSEAS  ELYTIS 

 

 

 

Luister
het is doodstil
het groeiende gras
dat zijn dorst stilt
met het verse vocht

in  heesters hangt het rag
niet van het web
onzichtbaar geweven
voor d’ ogen van de dag
bloesemgeur, jasmijn

in  weelderig struikgewas
de mei met bolle wangen
en in het gras worden 
ijverig wormen gevangen

niets gehoord…..alleen gezien 

Het komt in de nacht

de rest krijg ik niet op papier
en toch ben ik er nog
mijn hart geprangd in angst en pijn
zo zal het altijd zijn, als ik niet weet
wat het morgen zal zijn 

alleen papier dat overbleef

wat zoek ik nog in jou
dat ik niet bezit
een gemis waar het
nu te laat voor is
de hand schreef
onschuldige woorden 
zoals ” ik heb je lief ” maar
woorden gingen dood
in de laatste brief

alleen papier dat overbleef 

 

 

 

 

             Ik versta – om me van jou te bevrijden
                Een leven ver van jou moet leiden

            Zwerftochten van mijn bestaan
                In ’t geheugen bijgeschaafd en ongedaan

            De hartstocht die me tracht te smoren
                Zolang ik uit mezelf niet los kan komen

            Het beeld kan mij geen ander geven
                Het lot besliste in mijn leven

            Wanhoop drijft tot stil geroep 
                Op heel mijn wezen doe ik een beroep

            Laat het los – het verleden moet bewust
                De laatste wil aanvaarden voor de zielenrust  

Een leegte aangebroken
Een kilte aangestoken 

Het is vroeg in de slapende stad
omwoelde uren liggen wakker
zonder lippen – zonder handen
een korte droom die spoken maakt
in de herinnering geen kreet meer slaat

een lichtgevende hoop in de duisternis
onbeweeglijk gekneld in gehakketak 
van het geheugen, grijpt men
het greintje hoop van lichtend gevoel,
de cirkel is doorbroken
vroeg of laat vind ik het weer,
wat wel of niet is kwijtgeraakt

in het geheugen een vergezicht,
mijn eigen leven goed bewaard
de opstand bij tragische momenten,
woorden achter dichtgeknepen lippen
laten een verleden van veelzijdigheid
rusten in het vergezicht met licht gevoel
een volgende lente tegemoet 

In bloei wil ik
als het lente wordt, en rijp
zijn in de zomergloed, gelouterd
als de herfst zich voorbereidt
op een winter saam met mij
die de wereld voor het laatst bezit

verheugen zou het mij
als ik mijn einde mocht verblijden
genegenheid te zien van mens tot mens
met mijn laatste adem op perkament
met krachtige hand gezet 

Regendruppels druipen
langs de koele vensterruit
kronkelend, een weg banend
tot op het raamkozijn

de hemel is mistig, de regen begonnen
geen krekels meer en vogels die zingen 

einde van een seizoen, de kleur
van de wijn is nog onzichtbaar
oktober steekt zijn kop op 
het blad van de boom
valt in de modder verloren

de wind krijgt vleugels in de nacht
strijkt langs alles heen, de natuur
is een gedaantewisseling nabij,
geen zon die er over scheen  

troost in vergezicht
langs de gewelven
van de arcade-gangen
achter de woelige stad
zachte licht-speling
van de tuinen,
rozen en struiken
lieftallige deling 

 

 

 

 

Om de terugkeer van de zon te vieren
laat de hemel zich azuurblauw sieren

Langs bontgekleurde paden zijn
bloemen zwaar met geur beladen

In de fontein weerkaatsen waterstralen
vogels drinken,  snateren hun verhalen

Een nimf glijdt langs de zonne-glans
herneemt onzichtbaar haar godendans

Ik voel dit weer als een geschenk
of ik niet aan onrecht denk?

Het leven is kort,  waar ligt de grens
vang de zon en geef ze door aan ieder mens

Onvoltooide verlangens
soms is onze afstand zo groot
vaak zijn onze dromen opgebrand
verlangen heel diep opgekropt
het gaat over, maar
zeker niet zonder gemis

de warme voorjaarszon is goud
verzacht de trekken op het gezicht
voor een liefde die stand houdt
tot in het late najaarslicht

verlangen is geen gemis
tovert een glimlach op het gelaat
gedachten gaan terug
naar lang vervlogen tijden
van dagen en nachten,  brengt de
gevoelens in vertederend licht

Water-ellende druipt langs de ramen
mijn woorden worden nat
door de kou wordt men het zat
nog één gedachte en ik pak alles samen 

al het groen is nog groener
ook voor bontgekleurd een levensader
bloemen zijn al lente-moe
hun kelken blijven toe 

buurvrouws tuintje was zo mooi
verwachtte niet die hagelbui
op mijn terras is het nog saai
een ligstoel past niet in het water
en de bloemen, die zijn voor later  

Vergeten,  verdwaalde taal
bij de hapering van het geheugen
liefde,  in de vertakking
van mijn herinneringen 

ik voel in de verwarring
de drang om uit te breken
mezelf de kans te geven
de geest ontwarren,  en niet
 in de schaduw ten onder gaan 

de vertwijfeling die duurt
in rusteloze nachten, door de stilte
van het zwijgen verscheurd,
met moeite een vleugje rust gebracht
zwijgzaam gaat alweer een nacht
die naar het einde tracht 
————
na een rusteloze nacht
neemt de open roos
opnieuw de dauw die haar bedekt 

Zwerftochten van mijn bestaan
in ’t geheugen bijgeschaafd
of ongedaan

de hartstocht die me tracht te smoren
zolang ik niet uit ” mezelf ” kan komen
het beeld een andere dementie geven
het lot besliste in mijn leven
wanhoop drijft tot stil geroep
op heel mijn wezen doe ik een beroep

laat het los ” bewust “
voor hart en ziel in alle rust
————–
naamloos,  cocon
van verpopte woorden
waarvan begin en einde
onvindbaar zijn

de morgen surft over land
maar staan we beiden
’s nachts aan ’t raam 
zien we dezelfde sterren
in een andere wereld staan

rusteloze aantrekkingskracht 
surft de avond over het land

” aan de andere kant ” 

Waarom het liefste op aarde
je wordt ontnomen
geen sterveling zal het je verklaren
hoeveel tederheid kan een mens verdragen
hoeveel leed in evenveel dagen
wie zal ooit zoiets verklaren

de schok, de angst
de daken tollen
ergens zag ik het in Gods weide
ergens tot waar de wereld reikte

in mijn hart ontbreekt een stuk gevoel
gelach, de pret en het gejoel  

Ons eigen achterlaten?
het zoekt naar wat, iets
wat we hopen, komt het nog?
te veel mist in helder gedacht 
van licht en donker
van dag en nacht

de kalender waar de tijd
is weggewuifd,
verdwenen en voorbijgegaan
geen wijzer die de tijd aanduidt
zonder zorgen, zonder denken

een vermoeden,
achter de schaduw van de wil
deuren sluiten zich, gedachten
nestelen in witte wolken
onzichtbaar voor het oude leven
dat hoopt nog iets
van het nieuwe te beleven

Mist belemmert het zicht
aan de lijn van de kim, waar
de hemel op het water rust
blauw staat op blauw

rollende golven gebaard
door de Middellandse zee 
komen op me af, om zich
dan pruttelend van tussen
mijn tenen terug te trekken
naar haar binnenste ik

ik weet dat ze niet blijven zal
ze is vrij en vreest niet
deinst langzaam achteruit
en grijpt de kiezeltjes
geduldig weer met zich mee 

Schreeuwen om liefde
de veilige weg verlaten
onder de schutmandel vandaan
de bron van liefde achterna

onzin van kleine stilte
in water en wind
alleen de stenen zwijgen
in stomme eenzaamheid

bekijk ze goed, neem penseel en verf
leg ze vast, en duizend jaar later
dezelfde stenen, een beetje vergrijsd
waar wind en water, waar liefde
kwam en ging

Levensdagen worden korter
alles rondom ons wordt nauwer
te veel zon – te veel kou
ik doe het iets lauwer

langs flitsende schaduwlijnen
waart de geest door het huis
drijft ons onweerstaanbaar samen
met gedachten van tijden geweest
tracht te vluchten uit het verleden
de feiten en geruchten

later kwam het moment
dat ik in de nacht steeds las
ons laatste testament

Het is een deel van het leven
dat men samen deelt
wat verloren loopt
is mee schuldig aan het woord
dat men niet meer herkent

het uitgetekend beeld
beschouwd als een geschenk 
dat niet meer beantwoord
aan de verwachting
het ongelijk dat volgen moest
heeft tere banden stuk gemaakt

elk uur verstrijkt in ongelijk
waar macht en onmacht
de tijd verdelen, tot aan de grens
een vaal gezicht, een leven dat nog
leven zoekt, ontworteld aan zijn gevoel
niet anders, omdat het moet 

De tijd zeul ik achter mij aan
met het toeziende oog van de dood
wat ik heb geleerd mondt uit in
een toekomst die niet lang meer duurt
aan het raam dringen de seizoenen
met de geur van rozen en jasmijnen 

een moment dat niemand kent
een nacht die er niet meer is
een dode in mijn bestaan waaraan
de herinnering moeilijk vergaat
een woord zonder letter
als in een zandstorm vergaan

het snoer van mijn denken
trekt door de droogte
door distels en rozen
onder een koepel van goud
in onaangetaste vormen

Het heimwee naar verloren liefde
verdaagt de wilde woorden
van eindeloos verlangen, luistert
eindelijk in rustakkoorden

geen draden spinnen en
rijgen door de feiten, de tijd is
ongenadig haar gang gegaan
heeft de wortels in duisternis gehuld
die sterven , nog voor de dood 
mezelf heeft ingevuld

langs verloren paden van
speurtochten naar de herinnering
waar de droom ligt opgebaard
in de klaarte van vergetelheid met
familie en vrienden die zijn voorgegaan
mijn laatste adem wacht voldaan

De maan zoekt haar weg door de wolken
de onrustige keert zich om in zijn slaap
gekweld door onduldbare dromen
troost van de maan is ondenkbaar
het groen is boosaardig, trekt zich terug
op heuvelruggen en op bergen

de dans ontsprongen, ontrukt
dauw de zon haar eerste stralen
de ochtend openbaart zich triomfantelijk
onrust schuift opzij voor de nieuwe dag
alles glijdt in het ongewisse
een nieuwe dag brengt andere zorgen
die van gisteren zijn verleden tijd
alleen in dromen komen ze
weer tot werkelijkheid

De zon komt op, ik zie het in ’t oosten
Heerlijk daarin zitten dromen
Wat slierten gaan er overheen
Toch is ’t de zon die ’t al bescheen

Ik mijmer over iets heel gewoon
Mijn hond moet naar het hondenkapsalon
Want knip ik zelf dan vliegt het rond
En niemand is gediend met haar van een hond

Iedereen aan ’t werk
Afgelopen is’t verlof
Mooi geknipt en kort gedaan
Klaar om naar de dierenarts te gaan

Elk jaar een spuitje in zijn kont
Zo leeft hij lang en kerngezond
Zijn naam  ”  Sam  ” 

21 december

De dag van morgen staat
al onrustig voor de deur
nog even blijven liggen
in de warme zoete geur

Het wordt zoals het altijd was
ochtendmist plakt aan de ruiten
de grijze dauw bedekt het gras
dan maar gauw de venster sluiten 

Het jaar gaat zichtbaar naar zijn einde
de meeuwen heroveren de lucht
de trekvogels naar de einder
vol verwachting in hun vlucht

Winter kijkt naar binnen
door elke ruit een overzicht
wat valt er te beginnen
bij ochtend of bij avondlicht