Open venster

De natuur trekt haar lentepakje aan
met frisse dauw en voorjaars-geuren 
de eerste bloemetjes komen eraan
met een palet in regenboog-kleuren 

de voeten nog in winter-puin
verdwijnt door te werken in de tuin 

winterslapers komen olijk kijken
schudden de aarde van zich af
de appelboom schiet in een lach
de leeuwerik tuimelt omhoog
de natuur is weer in haar gat gebeten 

Dagen rijgen zich aan elkaar
een nieuw seizoen zoekt zijn plaats

bomen die het zonlicht opvangen
sappen zwellen, in zijn
winterkoude armen
dat leven geeft aan tak en blad

regen danst op schamel gras
gesproten uit het zaad van gisteren
bloemen nemen een kijkje
voorzichtig het hoofd boven de grond
hun bedje is gespreid

elk jaar hetzelfde stramien
kijk … en je zult het zien

Mist hangt over de velden
een weide tussenin
lome grazende koeien,
in de flauwe ijle lucht, verderop
een windmolen, even triest
in het desolate landschap

                    aan de zijkant, in de berm het begin
                    van enig kleur, wit, geel, blauw en rood 
                    een opkikkertje in de verwaterde omgeving

niet getreurd
op de zon wacht alles
zij spreidt haar stralen
over de boezem van de natuur
en alles gaat leven, bewegen
op de grond kruipt het kleine grut
diertjes die zich haasten om te paren

’t is LENTE 

een rups op de weg is haar huisje kwijt
een behulpzame vogel gaat haar helpen 

Ik heb ze zien bloeien
in’t ochtendgloren gloeien

de lavende dropjes
de dauwdruppel op de knopjes
ze verspreiden kunstig hun geuren
sieren zich met ontelbare kleuren

ze lijden
en bezwijken
natuurgeweld
heeft ze geveld
wat we hier roemen
dat zijn de bloemen 

Wanneer de wind breekt
op de hoge duinen,
grijze nevel valt over zee, gevolg
van een warme midzomerstorm
donder en bliksem

de dijk leeg-gestroomd
terrassen verlaten, de laatste zitjes
met de zomerse dag naar de maan
dit jaar is het nog niet anders gegaan
met regenjas en paraplu
wordt je zonjapon een grote flop

juli rukt verder op, naar augustus
die de klus moet klaren, en wat rest
nog uit de zomer moet halen 

Het is gaan regenen
het seizoen voorbij
de stoelen omgekeerd
op de tafels,
terrassen leeg
en triest de omgeving

geen blad meer aan de bomen
ruige wind is langs gekomen
het weer heeft weer een depressie
het scheelt een jas, en
de zomer was er nog maar pas 

Het stormt tegen de laatste warmte aan
van herfst naar winter is de stap rap gezet
men voelt in de nacht de dauw verzamelen 
sneeuw gaat nu ook vlug komen
de doden herdenken valt in de herinnering
kerstmis verblind de ogen
verlicht het hart in deze korte tijd
tot het nieuwe jaar

de kamer is kouwelijk kil
de oude gezellige warmte houdt zich stil
na de 365 dagen nog drie maanden

tot het nieuwe groen het wint
met woorden in de wind
die kruipen door gaten
wringen zich tussen de reten

het kan alleen maar beter worden
als men het overleeft door de rampen-kreten 

Dolend in de tuin van mijn herinneringen
de zomer viel bedrogen uit
in’t rad der spinnen, die geen vliegen vingen 
alleen de weemoed die de zomer sluit 
zeilend op de uiteen gebliksemde wolken
kan onze herinneringen bevolken

                        de zomer zit in zak en as 
                        de dagen zitten vol goede dingen
                        worden weggemaaid
                        niets te beginnen

                        broedt de waterhoen
                        in het oevergroen
                        koud nog is de vlinderslag
                        in nakende lentetijd

de wilde wingerd, het eikenblad
oktober gonst van goud en brons
niet van lange duur
een storm veegt alles kaal
kortstondig is de schoonheid
kortstondig is het leven
te kort om alles te bevatten
te kort om alles te doen

de droom ontrukt in najaarstijd
een bloem die zij vergat
ligt in het boek tussen een blad
de letters staan in averij
de mijmering in droom gevat

De muze
kleurt de herfst in geel en rood
in bossen verwaaid koper
aan de voeten hert-gewei
de herfst komt eten uit je hand

gepareld tot een traan
de kleine blaadjes
in vuile plassen van de jaargetijden
lig je te rotten in eigen wilde leven
van kortende dagen
lange nachten

het groen van dennen wordt vuil
in verwilderde tuinen geen licht meer spreidt
de afgang geeft een wrang gevoel
en legt de winter zwaar op het gemoed

niet zonder gevaar
de dicht-geslipte levens-aders
het aanlopen van de strijd
botst tegen overgeslagen tijd
het is moeilijk te zeggen of de bres
is geslagen, of zorgvuldig dichtgemaakt
in verloren tijd, lichtvoetig over ijs gegaan

Kom er in – verstop je niet
zo laat op het seizoen
het is een gunst

jou te begroeten door het raam
op een kristal glinsterende vaas 
bloemen maken het niet mooier
en trouwens we kennen elkaar
het is niet de eerste keer
dat je zomaar binnen valt

als kind flirtte ik met jou
en later samen met mijn kinderen
op het strand in het mulle zand
we speelden zelfs bedot
en moesten je schaduw zoeken

we zijn een bevoorrecht volk
te leven op een planeet
soms te koud
soms te heet
houden we het in de hand
als onze mooie planeet brandt
of water spoelt over het land

De kracht van de natuur

de woorden opgeborgen
de kracht en de bezieling
zijn achterwege gebleven
waardeloos het liefdeslied

tot de ochtendzon de waas verdrijft
de wisselende schoonheid
haar geheimen prijsgeeft
het nieuwe feest van de natuur
is aangegeven, heeft kleur en geur
een bedwelmde kus gegeven

de muze straalt
bekijkt de kleurige bloemenpracht
fruit in wording voor het herfst-getij
de korven worden uitgezet
het woord uit zich in een lach
het feest van de natuur
wordt stralend voortgezet

Als de slaap langzaam uit d’ogen wijkt
zien we wat altijd anders lijkt
de ochtend-dauw die aan pas
ontloken knoppen likt
een wormpje dat zich vol vreet
aan het laatste beschikbare blad
een spin die ijverig haar web herstelt
en ontbijt gretig voorbereidt

de herfst is soms een beest
maar nazomer geeft ook feest
in huis en tuin een kleurenspel
vergeet men modder en de hel

de winter wacht geduldig af
op de zomer die afscheid neemt
die sluit de cirkel van de jaargetijden
weer voor één jaar bergaf

hoopvol wacht ik op de volgende lente
de hoeveelste ook alweer 

Weet je nog de tijd
de oude weliswaar
waar vele Waarden
een rede hadden van bestaan

de kans te grijpen op een toekomst
niet te vergelijken met de tijd
die achter ons lag
naïef en onzeker, maar vastberaden
geen vat op’t lot dat beslist
de slag van’t hart heeft gemist
een hart dat pas ontloken was

de afstand dreef ons uit elkaar
geen sneltrein of t.g.v.
geen band sterk genoeg
om te overbruggen de ontreddering
die was ontstaan
na het plotse weggaan

één vraag die blijft
hoe zou ons leven, en het beleven
de toekomst hebben doorstaan 

Als je niet kunt slapen
omdat de wind het dak doet kraken
de regen plenst tegen de ruiten
komt het heimwee naar
vroeger op de buiten

weet je nog…..
de regen zweepte langs de bomen
en we moesten schuilen
het was alsof we ons leven lang
gingen schuilen bij elkaar
de regen stopt
de zon breekt door
en elk ging weer zijn eigen weg 

de toekomst is geheim
die plotse regen
het schuilen dicht bij elkaar
was alleen maar dat éne moment
weet je nog…….. 

De metamorfose brengt
verrukking om erin te vermeien
op de vaas van geslepen kristal

er kwam niet veel zon in vrije val
het werd een lente met veel regen
hoe konden we ons verwarmen
de zomer viel ook tegen
samen in ons beider armen
zo ging een jaargetij,, of twee voorbij

de jaren lopen ons voor de voeten
de dromen blijven steken
op de tijden die onstuimig bleken
onze gedachten en gebaren
vloeiden ineen verliefd en ongebonden
in de blik verslonden

zo vaak gedroomd
zo vaak verloren

Het leven scheert ons voorbij
pijn en verdriet vindt zijn vlucht
met de wind die snerpt
het doet pijn
leeg van binnen
uitgeblust en uitgestort
zelfmedelijden

mijn gevoelens zijn te kwetsbaar
verborgen door verdriet
te pijnlijk en onhandelbaar
alsof ze verdwenen in het niet

komt er nog verlichting
verder gaan alleen, maar niet eenzaam
zonder verplichting, je eigen laten gaan
is het nog gebaat

de breuk met het verleden
komt een etmaal te laat 

Als de slaap valt in een gedicht
de woorden mij worden voorgezegd
in de luchtspiegeling van een oase
op woestijnzand dat slaapt in het licht

met de pen woorden geënt
om het verleden niet te vergeten

de nacht ontmoet
de mensen die ik heb gekend 
een vage herinnering
in andere gedaante
in beperkte kring 

de slaap in een gedicht
werpt op gebeurtenissen
een ander zicht, dat ons verlaat
bij het stralend ochtendlicht 

De tijd tikt je leven zo voorbij
de scherpe kantjes, de hoeken rond
het leven met de tijd
de zorgen erbij
in een vlaag van zinsverbijstering
” hallo” hoe gaat het nu met jou
na jaren nog op zoek naar een herinnering
een wankel evenwicht op zijn voetstuk
dat kantelt in de versnippering

de avond staat op een kier
de schemering sluipt over het gazon
was je nu maar hier
om samen te zien hoe alles begon
daar gaat de tijd, en jou
neemt hij wel mee

en komt de vogel met zijn lied
vliegt hij weg met ons verdriet 

Tussen de lakens zweeft niet meer
de angst, de droom ontbloot
lichte muziek klinkt in de oren
het ver geluid van ochtendgloren
wazig uit zijn droom ontnuchterd
glijdt de angst van je af 

ik draai de knop van de radio om
bekend geluid in de wind
de dag neemt het weer over
een goed begin, en goed gezind
de rust hersteld, en geen onrust
voor de volgende nacht

de melancholie van de poëzie
de woorden kruipen langs de lijn
niet meer zoals het was
rijmen komt weinig of niet te pas
maar met de poëzie is er nog wel
de fantasie 

Opgeschrikt door groot verlangen
van de wil, te lang gevangen
kruipt door losgeslagen raggen
een hart dat bonkt van
verwachting hoog gespannen
het is ver van hier
het vlucht voor het papier
het wilt geen woord meer horen
wist kriskras alle sporen

het beeld vergroot zijn voorsprong
met de jaren, de tijd, maakt uit
wanneer het hart tot stoppen besluit

Alles draait om jou en mij
en alles blijft gewoon
maar zodra het licht uitgaat
verdwalen we elk in eigen dromen
en draaien mee tot het ochtendgloren

opnieuw een winter die zich meldt
de stilte breekt met stormgeweld
het regent bellen in het kikkerbad
cupido op de rand kwijlt
zijn haren worden nat

we nemen afscheid van de zomer
wapenen ons tegen wind en kou 
op onze tocht naar niemandsland
als we de jaren optellen of de uren
zal het naar het einde toe
niet lang meer duren 

Altijd gisteren,
              was het beter
gisteren dronken we op ons
vandaag laat ik
               je handen los
je bent niet meer
               wat gisteren was
vandaag laat je me alleen
ik kéér mezelf
en ga naar morgen

in’t verleden door de mazen gegaan
een verder leven daarmee begaan
en ga ik heen langs de grote zaal
dan spreek ik ook hun taal
eens was het bijna zo laat, 
maar op het nippertje ontsnapt 
aan’t snode verraad 

De ziel niet open voor woorden 
in de trotse stilte van de nacht
die zichzelf zoekt weer te vinden
in vergane geur van schimmen
verdreven uit het verleden
weggeschreven

zelf hebben we de jaren
zien komen en gaan, het
beeld doorheen de tijd verweven
de groei ervan ons niet ontgaan

schrijf – liefde
schrijf – wat je bezielt
schrijf – hartverwarmend en verdriet
schrijf – wat het leven biedt
want voor je het weet, aan het einde
verlang je nog evenveel
naar liefde en verdriet 

De dichter aast op woorden
ze dansen voor zijn ogen 
ze knagen aan zijn oren
ze sterven voor de dood

                                  =======================

Het verbaast je, na de oorlog
de eerste trip naar het buitenland
Aken lag nog plat
lang de Rhijn op de kampeerplaats
bedelden kinderen voor chocolade
dat zijn de dingen uit mijn tweede levenstijd
nu zit ik volgens de natuur in de vierde

in de Alpen boven op de Stelviopas (geen tunnel)
sneeuw, veel sneeuw, dat deed ons toen wel wat
nu kan men er om lachen
een peulschil tegenover een reis 
exotisch of de oriënt

de herinnering echter blijft mooi
alleen….in de pure natuur 

Kleiner en kleiner
wordt het tenger dons
als een sneeuwvlok
verdwijnt in de zon 
het was in mei
het mocht niet zijn
ik was te blij 

o wrede winter van dit jaar
ik verliet de plaats
waar mijn hart bleef slaan
een herinnering bovenmaats

nooit vergeet ik hoe we doolden
verzadigd, hand in hand 
de stilte van verre hoorden
in velden en weiden
met weelderige bloemenpracht
het verleden kan niet uit-gedicht
de herinnering zet het steeds
weer in het licht 

Maan en sterren
schaatsen door de
bocht van ’t leven 
vastgevroren aan elkaar
twee wezens
die de stilte niet horen
in het uitbollen van de tijd
die door het leven schaatst

helder en klaar de horizon
de kern van ons bestaan ontnomen
bij het keren naar de bron
als de laatste bocht is genomen

—————————-

sterren leggen zich op het dak
de nacht helder, de geest te zwak
niemand die me stoort, alleen de 
wind die mijn gedachten hoort
de Muze valt in slaap
het is best dat ik nu
de scherven opraap

Alles lijkt zo ver, gevoelens
achtergelaten her en der

voor ik naar het einde ga
wil ik weten waar ik sta
met deernis heb ik geen meelij
ik ga doorheen het falen
ben uit het dal getreden
om het goede eruit te halen

soms gaat men door een hel
maar de mooie momenten
die zijn er om de slechte
herinneringen te herleiden
men haakt ze vast
en hoopt dat de schakel past

Uitgevlogen – weggevlucht
de deur op een kier
open met de vlucht
liefde en wellust prijsgegeven
wat houdt ons hier vast
voor wie of wat
niemand zal er om geven

de lust voor de vlucht is groter
dan de lust te blijven, maar als ik
in de verte het licht aanschouw
bekruipt me de last van het berouw

het wachten valt in de mist uiteen
blijf ik hier, het einde
van mijn dagen

alleen verbeiden
zal de dageraad er zijn
om mijn hart te verblijden

Neen de tijd staat niet stil
elke minuut heeft zijn prijs 

het is me weer gelukt
onder eigen leed gebukt

we zweven op gelijke hoogte
geen verschil tussen wat echt is en droom

tergend langzaam slijten de botten
en breken weloverwogen in uitgestelde tijd

het kan zijn dat rust ook geluk is
een gordijn van broosheid dichttrekt

ik ga alleen verder
verbeten met een gewonde ziel
op gepolijste scherven

Ik heb van ’t leven genoten
het heeft me veel plezier gegeven
maar nog veel meer pijn
mijn aards bestaan had ups en downs
mezelf heb ik de pijn gedaan
te volharden in een leven van geven
teveel met anderen begaan

nu zal er niets meer komen
het einde is nabij, in de verte
zie ik een wazig rust-gordijn
eindelijk kan ik mezelf weer zijn
als eenmaal de tijd is aangebroken
zeg ik vaarwel
en stap naar de verte
waar het licht is aangestoken

De stroomval van tijd
overwint de wanhoop van bange nachten

De tijd die door de vingers glijdt
reikt naar  ” wenkend later “

Misschien is er nog licht in de duisternis
hoop doet mijn hart herleven

Ik zie nog een toekomst in mijn bestaan
een genegenheid van mens tot mens

Een helpende hand die reikt naar lotgenoten
een belangrijk moment waarop ik heb gewacht

Het Zijn in zijn Waarde herstellen