Een wervelend leven

Wat schrijft men nog van vorige eeuw
woorden regenen stilaan nat
onder  loodzware lucht

Half verzoend met het lot
roepen de woorden nog na
een misverstand
een achteloos gebaar

Een oud heimwee
naar de sterke hand
in oude brieven ligt de kus
beschreven met de oude pen

Het heelt in vriendschap
verbonden aan de tijd…en ach…
zo vlug voorbij

Wanneer een lichte droefheid mijn hart bekruipt
heeft weemoed mij te pakken

Een geurig kopje koffie, een snoepje
op dit punt ben ik verwend
de vragende blik van mijn hond
is me zo bekend, ik herpak me,
denk weer positief

Uit het verleden kan men niets wissen
het geluk van vandaag behouden
en waarderen, dan zal droefheid en 
weemoed stilaan niet meer bezeren

Als een ruiker rozen wonderen doet
is het voor mij een liefdegave
er rest me diepe angst, het gevoel
dat jij hieraan voorbij zult gaan

langs ’t kronkelpad waar geur zich nestelt
ga ik in gedachten er op af, in het zuivere
veldgewas jouw naam graveren
in mijn droom de plaats begeren
waar de leeuwerik duikt van uit de lucht
pikt een stukje uit het hart
laaft zich aan de liefde
voor zijn nieuwe verre vlucht

De rozen staan te pronken
heb ze niet mezelf geschonken
een dierbaar iemand
met schuchtere attenties
Ik heb ze met liefde geschikt
en op de beste plaats gezet

Een zwijgend gebaar
een uitgestoken hand
                                         nog vele jaren een bestand
                                         gelukkig met elkaar

———————————————-

De regen……..regent maar door
het zingt op de straatverlichting

Met mijn regenscherm tegen de wind in
loop ik in mezelf verdronken
bereken hoeveel stappen tot de hoek
en mijn paraplu zal omslaan in één richting

Voor die tijd zie ik licht, schuift
een wolk opzij, 
de zon klaart, er is zicht
met natte voeten, het is een rampenjaar
zet ik me naast het vuur, neem een boek

Poëzie om op te beuren

  Door regen en wind
van de bibliotheek tot hier
moest ik er mee sleuren
———————————–


Bloemen veranderen
als de seizoenen keren
Wind draait cirkels over de vlakte
Vogels vliegen weg uit het kreupelhout
De ochtend geurt een nieuwe dag

Geen enkele lijkt op de andere
Ons levenlang is onomkeerbaar
Nooit dezelfde dag

=======================

0p een regenachtige dag
door heimwee bevangen
geschikt om eens te neuzen
in oude rustende zaken

een versleten missaal trok mijn aandacht
geboeid door communie en doodsprentjes
uit een vorig leven, herinnerde ik mij
twee gedroogde bloemen, een viooltje
en een mooie volmaakte edelweiss

onweerstaanbaar, telkens getroffen
door de herinnering, waan ik mij terug
in die tijd…op het zachte gras van een
alpenweide, zonder zorgen, zonder stress
in een tijd…die zijn we kwijt

De letters verlaten het gedicht
zullen in deze wereld niets bereiken
verwaaien in klimopranken,
spelen met de zon een spelletje
op groene heuvelflanken
dansend op de tonen van de wind 

op het pad een verlaten kat
zoekt een plaatsje voor haar dracht
ik breng de letters weer in het gedicht
en bezorg die poes een beschermend
onderdak : ginds, ik zie een verlaten schacht

Mijn verder leven afgewogen tussen rozen
de beweging in de bloemen uitgevouwen
heerlijk deze witte als opalen porselein
in de schelp van opgeheven handen
of in een beeldje van Rodin, ligt
zorgeloos in de schaal van opaal

ik nestel mij in een zetel
het raam open geniet ik van de
milde zonnestralen die me telkens
uit de wintersloomheid halen

meeuwen zweven en zwenken
voorbij mijn raam, een groet in de
blauwe lucht vol minuscuul leven

de schittering van de zon
op een kristallen vaas
maakt het beeld compleet
poëzie is nooit ver vandaan
laat de zon haar gang maar gaan


Ik had het moeten weten
geen kans om uit te varen

de wind zit verkeerd en storm
zwiept het water over de dijk

geen mens op straat
parken liggen verlaten
het vlinder en apenpark
sluiten hun deuren
kinderen zeuren

dan maar een kopje koffie
op de hoek, aan de lichten
en praten over het weer
dat alle verwarring stichtte


Ik rijg de dagen aan elkaar
Met dunne draden, veel knopen
Kort en lang, soms onhandelbaar
Die gekleurd en gevlekt
Van herfst naar winter overlopen 

Het veelzijdig groen stilaan ontaard
De late bloesem zwoeler geurt
In wazig mistgordijn ten onder gaat
En tot compost bijeen geschraapt

De lente gaf ons jeugd
De zomer wijsheid
De herfst doet ons deugd
Ze geeft vrede en rust
Om met de winter te flirten
Tot de oude dagen zijn geblust

Ik haal het niet meer in, verlangen
angstig stil, ik heb gewacht
in duisternis van’t afgeknakte licht

Een vreemde vogel zingt zijn lied in
naamloze luister, hij wilt gehoord 
worden, en wachten in het duister 

Stille wegen koesteren vele dromen
bewandelen de vruchtbare paden 
aan liefde verslonden, aan
begeerte en passie verbonden

Een onopgemerkt verdwijnen
zonder afscheid, zoals
de waters van de bron
in de moesson glijden 

Een stukje van mezelf
ben i
k kwijt, meegedreven
in de oneindigheid
de pijn gebleven 

Het stilzwijgen zal de                  
tijd verdelen tussen

dromen en vergeten
zal het alle wonden helen

  

 Mijn geboortehuis ken ik niet
waar eens mijn wieg heeft gestaan
niets dat ik er achterliet alleen het
register weet van mijn bestaan

 En wat er verder is geweest
lusten en lasten van alle dagen door
de evolutie van het leven meegedragen
als herinnering laten vervagen

De kracht naar overlevingsdrang,
schoonheid geplukt uit het
samengaan geven aan de herinnering
een volwaardig bestaan

Ik heb mijn jeugd gesleten
op Vlaanderens lage land waar
hemel en aarde elkaar de handen raken
op vlakten, duinen en strand

Kleine steden, rustige dorpen
zonder stress zijn tijd besteden
aan vriendschap en verworvenheden 

Te vlug is al het nieuwe verschenen
onze jeugd en vriendschap
in de mist van ’t leven verdwenen 

Ongenaakbaar dichtbij,
droomt de nachtwind
bloemengeuren, in het eindeloos
lispelen van de bomen
herfstwind gijzelt zonne-warmte,
woelt een ander om
de schouder, brengt een
weemoedig liefdeslied dat hij
omarmt in stilte, waait met geuren
om onze zorgen heen, en stort
ons weer in nieuwe avonturen      

 

 

 

Neem uit het verleden
  al wat edel en goed is en
bouw daarop uw toekomst

Dit is mij goed bedoeld door
een jeugdvriendin meegegeven
lang geleden, in oorlogsjaren
deze woorden brengen mij meermaals
in gedachten naar tijden van weleer 

Elke dag dezelfde trein
Dendermonde – Brussel
Brussel – Mechelen-Antwerpen
elk naar zijn eigen bestemming 

In de lucht hing een nakend afscheid
plots en onvoorbereid, de
oorlog op zijn einde

Ik heb je nooit meer weergezien Olivia
maar duizendmaal bedankt
                              voor die woorden van toen                               
geschreven en bewaard
mijn hele leven lang

Jaren later

Witte en rode rozen
heb ik voor jullie gekozen

na zoveel jaren een herinnering
om zuinig op te zijn, mijn hart voelt
het aan, de eerste jeugdvrienden
en vriendinnen uit een vorig leven

te jong en in moeilijke tijden  gescheiden
te ver om zich te hechten, men was op zoek
naar een betere toekomst, en hebben ze
gevonden, voor elk lag het voorhanden    

er werd aan gewerkt, de tijd stond niet stil
vier gezinnen, een aantal nakomelingen
hard maar mooi was het leven en
nooit uit mijn gedachten weggebleven
Mei 1941-2001    

____________________
In oorlogstijd

Hobbelend met de ouderwetse trein
tuur ik peinzend over het nog
ongerepte landschap
op mijn schoot een half geopend boek
naast mij een vriend de toekomst
lichtend in de ogen

een stuk van ons leven langs
besneeuwde en zonnige sporen
en zoals geweten is de locomotief
voor het station van Zellik
menigmaal bezweken

nu staat hij te pronken
een museum verrijken
puft niet meer
en loenst naar ons
als we hem bekijken

 

   Op de vleugels van poëzie
een stroom van taal, woorden zingen
in de tonen van ’t gedicht
stilte sluipt tussen de regels
de pen glijdt rillend uit de hand
de ondertoon van het geluid
gaat over in een onwezenlijke droom
waarin demonen je kunde peilen
angst om te falen
doen regel na regel verdwijnen

opgelucht  ontwaken
door zingende woorden
tussen letters en lijnen 

Pianoklanken vullen de kamer
verzachten het verzwegen verdriet

Vingers glijden door het ritme
ogen stralend naar de toekomst gericht 
dan weer zoekend naar de zuivere noot
het voetenspel herneemt zijn taak

Opstijgend uit een diep dal komt
stilaan het licht in zicht
stilte staat op een kier
open voor woorden
laat nieuw leven en liefde binnen

Barst samen met Mozart en Schubert 
los in meeslepende akkoorden 

Stilaan komt de tuin tot leven
de staart van de winter nog even grijpt
rivieren zwellen de sneeuwpret weg
in oevers met modder en grijns

ik dek mijn herinneringen af
de vleugels gespreid
een zachte landing op de
aanvaarding van mijn gelouterd zijn

niet de cirkels van orde in de natuur 
eenmaal kan men genieten van
de vier getijden, en ieder zal het
op zijn manier belijden                  

Geen roos treurt om haar doornen
jij was mijn eerst geboren vriend
in een wereld van drijfzand
waar de mens gevoelig voor was

ik ben aanwezig, ik leef
in ontheemde dagen en nachten
schrijf mezelf uit een wereld
van aardse machten
balanceer op gladde wegen
met woorden door
spookgedachten ingegeven
langs golvingen van wijde velden

Ik heb een draad gesponnen
uit de kronkels van mijn leven
het is voor t -shirt en japonnen
zo blijft mijn leven altijd kleven

er zijn zachte en felle kleuren
voor de liefste en mooiste momenten
voor minder fraaie heb ik een
sombere kleur, voor de slechte
toestanden, de zwarte

de rest van mijn leven
kan ik alles netjes bijstellen
en zien welke kleur overheerst 
volgens mij kunnen ze het onderling 
goed met elkaar stellen 

=========================

Kronkelpaadjes wijzen naar ravijnen
met ruïnes van Romeinse oudheden 
een dorre stenenpracht

innerlijke rust en kalmte houden je
gevangen als bij een bevredigende liefde
de stilte roept de liefde op

een verre zee zonder horizon
blaakt van licht in blauwe ruimte
gevat in mistige tule die het verleden
omarmt en neerkijkt op de rijkdom

van vruchtbare en dorre gronden
door de tijd met elkaar verbonden 

Het water reikt de horizon rolt
met de aarde mee glad en regelmatig
tot oerkrachten zich mengen
vernieling met zich brengen 

een kracht die mij met angst vervult
klotst tegen de holte van de lucht
voor niets en niemand beducht 

zoute wind die komt uit zee
riuikend naar mosselen en garnalen 
waait langs duinen en strand
gaat over bloemen, veld en plant

neemt de smaak van verhalen mee
laat ze ruiken en proeven
het zout van Vlaanderens rijke zee 

Een open plek tussen papaver-rode velden
de scheut van een els streelt de wang
in de laatste warmte van de avondzon

beroert de ragfijne zilver-rand
het werk van een spin 
de wind fluistert over
de kleuren van de weide-flora 

een vleugje heimwee
herinnert in ieder jaargetij
aan een liefde uit mijn prille leven
ze werd me niet de kans gegeven

In licht gefonkeld
voel ik lippen op mijn mond
de zachtheid van regenboog-kleuren
die voorzichtig de aarde fleuren

een rijkdom der natuur
die vergaat in ’t hemelsblauw
onttrokken aan de aarde
in een weelde van wazige dauw

rozen met pareltjes bedruipt
die hun schoonheid niet verliezen
een vlinder strekt zijn vleugels
fladdert lustig rond waar
jij en ik de rust weer vond

Een landschap, intiem op zichzelf
druilerig valt de regen na
op ’t einde van een onweer
de zon slaat een gat in de wolken
beschijnt de weg achter de dijk
de schelde ongenaakbaar,
het pittoreske kerkje
vredig in het zonlicht

ik leg het vast voor later
ooit neem ik penseel en
zet het in de verf
het zoveelste Vlassenbroek 
getekend en geschilderd in elk seizoen
altijd even bekoorlijk

het schilderij, verouderd  weliswaar 
maar Vlassenbroek blijft wat het altijd was
een pleisterplaats voor schilders
en waarom niet voor dichters? 

Groot is de verleiding zich
verbeelden en in gedachten
het doek schilderen
een stilleven

een tafel, vier stoelen,
karaf en brood
simpel is het tafelkleed
sober de maaltijd
verdwaald door de sleet van
het gordijn, een streepje zon
geeft glans aan water en brood

droefheid glijdt in het lege
wie liefheeft, heeft zichzelf verpand
de blik reikt de verte, verdwijnt
achter de horizon, peinzend
in het gouden licht van de avondzon
op de achtergrond van het schilderij

De hemel lijkt bezeten
door weerlichten gespleten
plassen op wei en wegen
het is najaarsregen

maar hoog achter regenbogen
heeft de zon een teken gegeven
in het oosten breekt de dageraad
waarmee het natte gras de
laatste zomerbloem belast
en veranderd van kleur
geven ze een pittige najaarsgeur


Het beetje geluk met weinig taal
Eenvoudig met mild gebaar
Vervangt een stuk van droefheid
Weggenomen door verdraagzaamheid

De weinige woorden met liefde gesproken
Die aan het leven grote waarde geven
Meer dan rijkdom en verworvenheden
Het ene hart het andere doet herleven

De zomer die de herfst is voorgegaan
Heeft de bloei tot vreugde doen ontstaan
Een vriendschap en genegenheid meermaals
Met wijsheid de storm heeft doorstaan

Alles vertaalt zich in stilte
de lucht ruikt naar nakend onweer
geen blad beweegt, geen vogel zingt

tot ergens in de verte
een kerkklok luidt
een mens die zijn laatste
rust gevonden heeft, jong of oud
alleen de familie rouwt

een streepje zon, een laatste poging
uitgeveegt op het vloertapijt
einde van het gedicht
tot plots een ziekenwagen
de straten onveilig maakt
het is alsof de dag nu pas begint


Het was een warme dag de
zon stond hoog aan de hemel
deed bloem en plant
verlangen naar water

aan onze voeten op het
Sorrentijns schiereiland
een streepje wit van de branding
dat zich aftekende tegen het blauw
in de baai van Napels

in kleuren breekt het witte licht
op een krans van liefdesgeuren
de zomerbries, het aroma
van citrusvruchten
houdt in zich het verlangen
van de warme dag
naar een koele nacht

Mijn dromen heb ik meegegeven
aan de nacht die in morgen
overgaat, en de geur van
jasmijn en rozen achterlaat

de ochtendzon speelt in de bomen
de wind met de gordijnen
en langs het open raam komt het
antwoord op mijn dromen
dat door de lucht op streepjes
is meegekomen

ik pluk het in de vlucht
en droom verder als een kind
in een wolk van frisse lucht