Een traan

Voor hen die mij verlaten hebben
Terwijl het bloed in zachte dood wegvloeit
En zonder stuiptrekking de ogen sluit
Er rest mij alleen de pijn
Dat jij voortaan niet meer bij mij zult zijn

Bloemenveld waar grijze paden
verdwijnen in rookgordijnen

waar zoekt men zijn eigen graf
daar waar men het niet verwacht
geen bloem, niemand die er om gaf
—————————–

op een half verdoken kindergraf
één witte roos, elke dag, wie weet hoe lang
een gebroken hart, gekneusde ziel
staart op een gebarsten, verkleurde steen
met één witte roos……..wie weet hoe lang

Een boogscheut verder
opstandig en gekwetst om hem
die daar te jong zijn laatste
rust omhelst…………..

avondlicht
door wolken gefilterd
in de bloemengeuren spelend gewiegd
huiverend strijkt wind over
de laatste zonnestreep

men tart de tijd
in zijn omstreden leven
de dagen waren veel te kort
lonken nu de verte toe

de horizon komt dichter bij
waar alle einders zijn ontgonnen
dan laat men de tijd begaan
tot het blad zich losmaakt
en plots of langzaam zal…….vergaan

================

Zij die mij voorgingen in de dood
bewaar ik met liefde in mijn hart
gedenk bij het ontwaken in de ochtend
dank U Heer, weer die nacht voorbij

verenigd op de foto, links en rechts
jonger dan wij gingen ze heen
vergeef ons te bekennen
wij zijn er nog en niet alleen

eens zullen wij hen volgen
de sterke tak breekt van de stam die
kaal en klam verdorde vruchten draagt
tot de lente nieuw leven blaast

Moeder
donker komt als ’t daglicht is geblust
geen graf werd er voor jou gegraven
gestrooid, met de wind gevlogen
is uw ziel ten hemel gevaren

De kinderen wou je niet tot last zijn
hield voet bij stuk, maar
je was eenzaam op je kamertje
en blij als de kinderen kwamen
Moedertje klein geworden
door geslonken bot

je bent bij mij, ik schrijf het voor jou
je werd negentig jaar
hoe speelde je dat klaar

Als ik het ziekenhuis betrad
was het reeds te laat
mijn vader had de plaats geruimd
het bed was netjes opgemaakt

Het was zo plots gegaan
er bleef geen ruimte meer
voor zijn nodeloos bestaan

Het was niet de eerste keer
dat ik de dood voor ogen zag
en toch ben ik even stil blijven staan

Mijn gedachten, mijn blik strak gericht
nu ben ik de oudste van de tak
heb ik nog tijd om me te meten
in een genadeloze strijd

Afscheid

De avond houdt de adem in
niet méér dan één ogenblik
zeg geen vaarwel
toch ben je niet gebleven
in de stilte van de uren heb je
met hart en ziel
je lijden meegenomen

Uw verlangen was het
de gebroken vleugels af te leggen
bevrijd van pijn gewichtloos
in de ruimte te zijn
niets heeft je nog weerhouden
de vaderlijke ogen te sluiten

gedreven naar een pijnloze rust
waren we van je heengaan bewust


De zielen van onze doden
lopen op de gastvrije paden
van onze dromen

ik blijf tussen mijn oevers
gedreven in versnellingen
gespeend van moedermelk

in modder van moeder aarde
de vruchten plukken in het dal van
overvloed tot men het wedergeeft
verbrand tot as van een versleten leven

Een traan een dauwdruppel

een traan valt op het onbeschreven blad
een dauwdruppel door een traan ontstaan
van de schittering in het zonlicht
is de schoonheid je ontgaan

het schrijven lukt niet
verdriet om iets
uit je leven gerukt
voorgoed onherstelbaar
uit deze wereld geplukt 

klein, zo lief en teer
het treft je keer op keer
je blijft achter met je verdriet
de herinnering en een traan
die je nooit zal ontgaan

Mieke 1976

De zon speelde in de tuin
alles was goed straalde liefde uit
en dan slaat het noodlot toe 

meiregen stroomt langs mijn ziel

als een pluim in de wind
voor eeuwig verdwenen
een meibloempje
dooreen de tijd het hart pijnigt
omdat het onbereikbaar is
je achterlaat met onherstelbaar verdriet
vergeten kunt je niet

Bloemen in de knop gebroken
zelfs in volle bloei
ik ben kalm, lijd in stilte
geen drukdoenerij
het is van mij vergleden

de woorden in de wind
ze zijn vergaan
alleen trillende handen
bij het raken van een frêle roos
ze zijn voor het graf van geliefden
waar ik om gaf

Ik heb een kerkhof in mijn brein
waar alleen rusten die er niet meer zijn
 Ton Toutnu

24 uur, een kraakheldere hemel
mijn blik richt zich onweerstaanbaar
naar het licht
het verheft zich boven het groen

van de riante villawijk, kruisgewijs
drukt het zijn stempel op de omgeving

innerlijke onrust en pijn zijn de
voorrechten van het imposante gebouw
de macht over menselijk lijden
kan wel eens gaan over lijken
verlichte vensters in de stille nacht
welk leed schuilt erachter?

een kijkje nemen is geen verplichting
en als het moet deelt men in
de hulp en hulpeloosheid
het vechten en de onmacht
van begaafde mensen en hun team
in het befaamde Middelheim ziekenhuis

                                                                                                                                                                                                                                

Cyclus van vijf gedichten opgedragen
aan  mijn broer
die vocht tegen kanker en stierf.

Uitgezet door ochtendmist
een lichtblauw mengsel
in de vochtige lucht
ontgaat aan het oog,
ik spreek tot je

mijn stem bereikt je niet
je blik ontgaat me, elke beweging
met geduld, handen
doorzichtig op de witte sprei
 
het gezicht roerloos mat

stemmen komen samen
mengen zich in de kamer
elke dag zullen ze er zijn
en de geest die niet bevroedt
dat de stemmen verdwijnen
over de rand van eenzaamheid

 Zinloos kijk ik de straat in
nog dezelfde lusteloze winterdag
kil en grijs, zelfs geen duif
het ziekenhuis waar ik op kijk
verbergt zijn leed in genummerde kamers

voor mij is het genoeg geweest
de gedachten tergend traag
sombere vooruitzichten voor hem
die van het leven houdt

troost geboden en moed ingesproken het
enige wat de jaarwisseling heeft doorbroken
januarr ’02

Een pover zonnetje doet haar best
de dag welwillend te beginnen
een merel is al vroeg beginnen zingen
de bloeiende bomen staan er geurend bij
vandaag kan het mij niet bekoren

met open zicht op het ziekenhuis
ben ik weer door pijn geplaagd
zo kan ik geen gedicht afmaken

het zijn mijn broer zijn laatste dagen
gekweld door droefheid
kan mijn hart het niet verdragen
april ’02

De schaduw die men is heeft nergens plaats
als men nergens gaat

waar is de ziel
die uit het ziekenhuis is weggegaan
onzichtbaar haar gang gegaan
is er ruimte of een eindstation
een punt waar het begon

uit stof en as opgestaan
wervelend…..eindigend
in stof en as vergaan
8 mei ’02

Ingeblikte momenten
door ons beiden behouden
in de laden van ’t geheugen
gevuld door een lang verleden
van ver en nabij, met het bloed
door overdracht verbonden
aan generaties gebonden

die geen tijd vergeet
hersteld geen leed

aanvaardt de nieuwe dag
met in zich het einde
de vochtige grond gemengd met as
van de dood die onder ons was
vaarwel broer……16 mei ’02

Geen onzekere terugkeer van de tijd
geen seconde tussen kieren van de einder

de nieuwe dag pas uitgevonden
zijn we er zij aan zij
ik betast de toekomst
en de weg die we nemen
in het zoveelste nieuwe jaar

de verzegelde pijn openbreken, vluchtig
verkennen, een schakel die niet houdt herstellen

nogmaals tuur ik in de verte
steeds hetzelfde getouwtrek
geen vrede meer mogelijk
een fout van de menselijke natuur?
een virus dat zich nestelt in de
voorbereiding van het laatste uur?

Er zijn gevoelens die men niet vermijdt
niet alles gaat onder in vergetelheid

de dingen die ons verlieten
de smart en pijn kan men niet kwijt

men verdrinkt in het verdriet
en komt met hoop naar boven
wat ons verlaten heeft is geschied
is het een afscheid voorgoed? 
niemand kan je een weerzien beloven
en niemand die het verbiedt 

De tedere schade die de bloemen vrezen
Door zachte regen in de maand mei
Zo wreed en teder heeft uw sterven mij
Schade gedaan die nimmer zal genezen

Met de mei in de bomen
wanneer al het leed ging stromen
hem het liefste werd ontnomen 

te jong door smart verteert
weg al de vrolijkheid
niet weten wat de toekomst smeedt
door verdriet ontgaat de werkelijkheid 

in vijvers weerspiegeld het beeld
iets dat je niet verdrijven kunt
zoekend is je geen uitweg bedeeld
later……niet nu is rust je gegund

het verlies van een lief wezen zal je
altijd in de herinnering herleven
——————————

                De verwarming uit
             wordt het behoorlijk kil
        de gedachten komen en gaan
              in de nacht rustig stil

vermoeid van denken en piekeren
komt het toch steeds weer
woorden zijn niet nodig
men hoort elkaar niet meer

de voorbije jaren
nog fris in het geheugen
de” Waarden” bewaard 
zijn een erfenis van een leven
door zorg en liefde vergaard 

Zou ik vergeten
wat me is ontnomen
een oogopslag in
onschuldige kinderogen 
belast met wrange pijn  niet te ontkomen
het waarom duikt op
maakt me stille verwijten

gevangen in eigen leedvermaak
de onmacht heeft me pijn gedaan
teruggetrokken in mezelf
tracht ik het te verwerken
in woorden onuitgesproken
——————————————-

De herfst van het leven
even mooi als de maand mei
ons leven door een ring gehaald
haakt de nieuwe schakel aan 

zij die de ketting zullen rijgen
overmoedig van jaar tot jaar
en ons levenswerk overstijgen 

De angst die zich nestelt
in de kieren van de ouderdom
als planken fijn geschaafd
in kist veranderen

inteelt van gevoelens
op de schaal van woorden
gevangen als kleinoden
ons einde tegemoed

de pit komt los
het vruchtvlees verdort
in het register bijna onleesbaar
tot we geschrapt, verdwenen zijn 

 

 

 

Door rond dwarrelende bladeren
druppels die traag de voegen raken
van het lage raamkozijn
smelten de dagen weg

hollen de tijd voorbij
uitgestippeld in seizoenen
samen met het leven
de mist het zicht beneemt

het licht van de ogen verwelkt
gelijk met de rozen in wintertijd
nauwelijks een stilte die blijft

gevoelloos strijkt over liefde en dood
vrede neer

Ik zal je nooit meer weerzien
de tijd is achterhaald
te stipt om te verschalken
ontneemt geen leed

wentelt zich in de
seizoenen van het leven
met moeite kan ik me verzoenen
dat je niet meer bent waar je altijd was

losgeslagen gedachten twijfelen
glijden roerloos naar de rand
scheuren zich los van de sterke band
belanden in de schuif van bewaring
en maken plaats voor andere gedachten
nieuwe die stilaan de rest van
mijn leven gaan doorweven

nooit zal ik vergeten
een losgelaten verleden           

 

EEN LAATSTE VERS

Ik zal weggaan, waar ze  
geen weet van hebben
…….niet nu
ik nog geniet van ieder mooi
moment,
 een lachend kind,
vriendschap
 in een wereld
            waar de merel fluit voor zijn geliefde
            de zon een bloem tekent en
            aan de avondhemel een palet
            hanteert met regenboogkleuren 

ik neem de tijd om weg te gaan
wacht op het teken, mij gegeven wordt
dan stuur ik al mijn woorden weg
schrijf een laatste vers
waar ik mijn hart en ziel in leg