Een boeket woorden

Bloesems van bomen
vullen de straten in april
bij elke rukwind laten er blaadjes los
de Japanse kerselaar fleurt in elke straat
dat is nu…..maar vroeger niet

ik ben geboren in het rustige Waasland
waar Van Wilderode aarde
waar ik als kind kwam en ging
doorheen het Vlaamse land

is mij dat ene landschap bijgebleven
van velden en weiden, ofwel
bedekt met sneeuw, ofwel
overgoten met gulden zonneschijn 

Het is als herboren, een
nieuwe lente ingeluid, fris
gewassen en geschoren
staat alles te glimmen
in bescheidenheid

hier en daar de kopjes opgeheven
pas uitgebroken, de aarde barst
allen willen ze er naar streven
de eerste lentebloem te zijn

het gras zijn mooiste groene kleedje
door dauw de parels aangebracht
elk stukje grond heeft zijn weetje
en wij genieten van wat het
heeft voortgebracht

wat had men anders verwacht

Er was eens

laten we even stilstaan, en
bedenken wat ons is voorgegaan
even het geheugen opfrissen
het grote huis, het grote bos
velden en weiden
dat alleen laat mij niet los

een vol-gebouwde straat van dorp tot dorp
de blinkende kinderkopjes, waarop de
regen hinkelt – pinkelt, vervangen
door klinkers……..

door mijn verleden kan ik het me inbeelden

in gedachten fiets ik langs de hobbelige straat
van Kampenhout naar Nederokkerzeel
en kilometers ver alleen dat grote huis
geleund tegen dat grote bos, het staat
er nog, het is staatseigendom
ik heb er gewoond

in gedachten fiets ik verder
op de aarden fietsstrook vol met putten
als het dan maar niet geregend heeft 

Een kleine kerkklok luidt, rustig niet te luid
wellicht een dode in de buurt
men hoort het niet meer zoveel
overbodig lawaai, waarom is dat nu nodig
de dag van vandaag, gestoord in de slaap 

stress is er genoeg, file’s en agressie
kan men de problemen niet meer aan
dan is er één oplossing, eruit stappen

geef mij maar de rustige dorpjes van weleer
het klokken-geluid dat over de daken galmde
iedereen moest weten wat er gaande was
daar hoorde ook de kermis en de processie bij 
’t is pure nostalgie, een heerlijke tijd van weleer

In de jaren dertig
nieuwsgierig kind dat ik was
dook ik het liefst 
bij grootmoeder in de kast 
daar lag mijn geheime schat
postkaarten anno 1900 en
mooie nieuwjaarsbrieven 

op een keer vond ik een foto
gemaakt in oorlogstijd
groot – en overgrootmoeder
met de kinderen

de foto was opgestuurd naar Duitsland
om grootvader te overtuigen dat
zijn gezin nog in leven was
later, begreep ik de draagwijdte van
de drama’s die zich toen hebben afgespeeld
in 14 – 18

Een losgeslagen vlieger
niet meer op te halen
bengelend de koord achteraan
in hopeloze kantelingen

hij zal aanklampen
een boom in zijn takken
of vallen op de berm
wegkwijnen in het onweer
dat plots opsteekt

het was een augustusmaand
in onze kindertijd
die zich elk jaar herhaalde, tot
onze kindertijd zijn einde haalde 

 In wiegende wind
zijgen rozenblaadjes neer
in lenteweer gezwind
de leeftijd ons nog goed gezind

zover is jeugd en kindertijd
met school en dorp verschoven
waar ieder in zijn eigen
huisje zat verscholen

wat nooit verandert is de wind
die wipt over het struikgewas
langs het grindpad in een flits

het kleine grut met dikke buiken
gevuld met lentevoer en paringsdrift

ik voel de wind strijkt langs mijn wang
ritselt over de tuin langs alles heen
hij glijdt over mijn huid, een
zachte streling van de lentebruid 

De weide wast zich met de dauw
liggen uitgestrekt tussen de velden

de paarden grazen zij aan zij
op beschenen lichtend gras
de nieuwe lente komt pardoes
samen met de zon omarmt
ze de lichamen die zich
rustig voortbewegen

onder het dak van de hemel
staan rechtop de bomen

onder het dek van de aarde
strekken hun wortels zich uit
woelen winterslapers
uit hun schuilplaats naar
de warmte en het licht

weldadig en geprezen
de zon op zich gericht 

Ramen openen de zomer
de ochtend-klaarte veegt een
laatste zweem van dromen weg
schaduw glijdt langs de huizen en wegen
de zon plakt zich vast op het garage-dak

een nacht-kat loopt sluipend weg
naar huis  ( ik ken jou sluwe kater )
waar de melk klaar staat en slaapt
een gelukkige jacht-roes uit

de stilte spreekt mij aan
‘ t is zondag en verlof,
in de
 straten is het kalm,
zelfs de lucht ruikt naar verlof
is mee op verplaatsing, iets minder
vervuiling,
 welkom voor de allergie

                              en als het niet regent 
                              dan zijn we tevreden

te weinig, of te veel
ooit was het anders

Bedenkingen van wat komt na de zomer

nog één duif in de late wind
een wind die koud mijn mond open bijt
er komen vele einden in wat beweegt
leeft, het gaat dood in elk seizoen 
de heesters kraken, de bladeren rillen
stukjes vallen, groen, bruin en rood
liggen op de grond te gillen 

de natheid rond de kilte
gevangen in het web
waar de spin zich vergist
door de lage witte mist

een nevel-veld
gezicht van een seizoen 
dat de zomer uit-wuift
storm en regenbuien
drukken de uitlaatgassen
het hinkel-pad is vrij
krijt uitgeveegd
griep zal nu wel komen
misschien vallen er doden

Ik leg het in een bed van woorden
gedachten opgemaakt in een
doolhof zonder uitgang

van het niets zeggen hoor ik de stilte
in tijdsgebonden handelingen
de streling van het eigen ” ik “

maar luister ik, hoor ik
vogels fluiten, en soms, heel soms
een ruisend blad beweegt
in zacht wiegende wind, voorbij
waait langs het vensterraam
voelt het of mijn jeugd herleeft 

bij heldere hemel
nog voor de dood schrikt
van de donderslag 


Het grote tafelkleed is overbodig
wie zal het van ons overnemen

nu is ze vlug bedekt, met
een kleedje voor twee
het tafeltje gedekt

              een schaal met fruit, altijd
              vers daar gaat men toch van uit 
              maar in de schaal te lang gelegen
              bij vergane frisheid is het gebleven 

met fierheid bedrijft men zijn hobby
getekend, geschilderd, met kader en al
liggen te wachten de tijd voorbij om
ergens te pronken met de naam erbij

                                   juni  2005

het regent, het terras staat onder water
geen ligstoel vandaag, het rusten
in de zon is voor later 

Een merel fluit zijn mooiste lied
ik hoor hem, maar zie hem niet

het heeft geregend
oh, oh, een vette pier in ’t gras
voor de kleine bekjes

hij vliegt langs de zon
recht naar het nest, verscholen
in een boom, dik van blad
zonder zicht voor groter bekken

de natuur bezit zoveel facetten
in evenveel soorten, genoeg
om in de verf te zetten, ik schud 
mijn geheugen en geschilderde
woorden vallen op het blad 

Opgeklopte onweerswolken
stapelen zich opeen
een donderkop
onheilspellend voorteken

dan massaal en onverwacht
overstroming in één nacht
waden door drek en slijk
dat was niet gisteren
maar vandaag 

Soms als alles wegebt in gepeinzen
de gloed verstomd in hemel-wolken
wat gaat er om in oude hersens-spinsels 
de verbazing van een lange overleving

de aarde is toch rond gebleven, de
verandering zit alleen in de verbeelding
een wereld die nog moet herleven
het wachten is een lang gemis
van dagen en van nachten
tot er niets meer is 

Een regenboog die zich strekt
over een knalgeel maisveld

peppels in de beemd
het is nog zomer

en plots de hand van de
herfst in mijn nek, op
het terras valt de schaduw
langsheen onze stemmen
het spinnenweb trekt al nevel aan
het heeft niet geregend vandaag 
elke avond dezelfde woorden
pasteltinten kleuren de hemel
gaan over in oker en rood

de seizoenen zijn ons te vlug af
in de kortste keren geven ze een
hittegolf of een overstroming, en toch
heeft het vandaag niet geregend 

Diep in gedachten sta ik
aan het einde van dit leven
valt de hartslag uit het ritme
zie ik de regenboog
zijn kleuren zijn prachtig
aan de horizon verbonden
in duisternis gezonken

woorden weggestopt
in dozen van vergetelheid
een naam onbekend in zijn bestaan
laat in de geest van het verleden
ongemerkt  zijn vleugels openslaan

De ruimte omgeeft ons leven
we dringen er dooreen
leeg en onbegrijpelijk vol

sneeuw valt door de smog
geluidloos in ongelooflijk wit
een sleep van dennengeur
komt langs de open deur 
verspreidt zich door de kamer
vervangt de vuile lucht
door de frisse groene geur

nog een greintje zuiverheid in
een omgeving waar de mens 
een zolang leven slijt…. 


De dag droeg het in zich
de nacht bracht verlangen
die groeide naar een droom
het beeld bleef weg, wat
houdt mijn hart gevangen

de sterren staan niet meer te pinken
een ochtend-vogel schraapt zijn keel
en haalt de zon aan de horizon

tussen de scherven van het laken
liggen mijn dromen te waken,
alleen een zonnig ochtendgloren
kan de pijn verzachten
van de 
uitgebleven droom,
die men verwachtte

Een roos met verzwegen naam
zo was ze in zichzelf bekend
groot in het zoeken naar verwachting
naar het feest van tachtig

versleten woorden komen zeggen
eenzame klanken uitgedoofd
vormen het verhaal
van vergane schoonheid 

stramme benen, klamme handen
kunnen het schrijven niet laten
in de gloed van d’ avondzon
vergaat de schoonheid
keert terug naar de bron 

in zijn tijd onvoorwaardelijk opgegaan

Niets is nog zoals het was
geen open zicht op wijde velden
mensen op elkaar gepakt
op zoek naar luxe en comfort

veel hangt af van de tijd
die we nog kunnen besteden
zonder na te denken

zwijgende wijnranken
drinkgelag van liefde
dronken aftelling

we klagen niet, we zeuren niet, ons
leven was eenvoudig uitgestippeld
toch niet zonder brokken verlopen
eenvoudig was het niet

Bij de tempel hoort men praten
meestal in citaten
bevolkt dun met  vogels

aan een kraantje met water
je dorst lessen uit je handen
haarlokken blaas je uit het gezicht
bet het verhitte voorhoofd lichtjes af

mijn gepijnigde voeten sleep ik mee
langs overleefde wandelgangen
waar schuchtere salamanders hangen

de zee is wat ze altijd was
op en af – woest of kalm
weerstaat de tand des tijds
sleurt af en toe nog wat lava mee

dezelfde zee in vreugde en lijden
dezelfde horizon, voor alles
was er een begin, en voor alles
zal er een einde zijn

Altijd ergens en nergens
verplaatst en weet niet waar
grijpt en laat weer los
dat was op het nippertje
ik raakte het even aan
en hup weg was het

een wolk drijft voorbij
eigenlijk bewegingsloos
een duif op het duivenhok
ergens in de stad 

de stoelen worden opeen gezet
zij die er gezeten hebben 
hebben hun rust gepakt
versnellen hun pas

ergens achter een deur
kan men ze nog vinden
uitgewaaid van de dagelijkse sleur
het is geen lachertje om op
deze wereld te zijn 

In het herfst-getij gaan de bloemen
kwelen, het gras wenen
de avond raakt verloren in de
schemering van een leeg ogenblik
waarop ik ouder word
mijn naam tegen de stilte zeg
en mijn hart te luisteren leg

wegglijden in de herinnering
het komen en gaan
scheuren en lijmen achter
de glans van grote dagen
komt de nachtrust
onschatbaar een must
sluimer ik vredig en zacht
in de armen van de nacht

Verlies klinkt langs de lijn, geen
klacht meer in de adem-vlucht
zo vol—zo vol is de lucht 

het onbekende is op zoek gegaan
in ons geheugen speelt het verhaal
op de toppen van de bergen
waar de woorden blijven hangen
van echo’s uit mistige diepe dalen

langs stranden, kolkend water
grijpt de schelpen en keien
van het fijne zand, naar
diepe zwarte zee-verhalen 

Een matte moeheid in mijn leven
vermoedt de leeftijd en de jaren
men voelt het knagen en het beven

zie ik nog helder in het morgenlicht
de toekomst in de nevel
zwart voor d’ogen, zal het
mijn wereld in de toekomst zijn 

wat als ik mezelf niet meer vind
verloren in de wind tussen het
blad van wilde rozen, de
kiezels kraken bij elke stap
naar de zoektocht die ik bij mij heb
de maan kijkt toe, ongenaakbaar 
streng, ik had ze graag bij mij gehad 

De maan schuift langs hoge bomen
gekweld door huilende winden
hoor de smekende stem van de takken
opnieuw bezweken aan herfst-verdriet
de wind heeft het blad te pakken
het valt op vergeten graniet

                      het liefste woord wordt oud
                      dagen en uren tellen
                      druppelsgewijs kan ik de
                      stilte tussen jou en mij 
                      al voorspellen

                      de winter neemt toe
                      lost in woorden op
                      laten een blad vallen
                      waar wachten we op
                      de tijd…tot het volgende
                      blad gaat vallen? 

De toekomst ligt in morgen
staat oningevuld voor de deur
mijn denken is reeds verleden tijd
en zowaar ook ” nu “

een moment van ingevuld verlangen
het heimwee, morgen, naar de dag van
gisteren, de zorgen van morgen blijven
hangen, zitten in ons welzijn gevangen 

                     de stilte wordt hoorbaar
                     zonnestralen worden schaduw 
                     glijden langs het balkon
                     een late vogel maakt zich klaar

                      op de laatste golven van de wind
                      vliegt hij door het avondrood
                       richting horizon