De vier getijden

De inspiratie komt onverhoeds
uit  woorden gepind op het behang
in lege kamers van het huis
langs de heuvelgang

Klimop kruipt langs de ramen,
waar de woorden blijven hangen
houden stand, zonder waarborg
ooit gehoord te worden

Zonder hoop met de deur op een kier?

Men trekt ze dicht,
sluiten het verleden af,
vermoeden doet men het niet,
maar een deel haakt niet af

      

 



Achter de kerk en watertoren

een zon stralend stijgend,
merels en anderen kan men horen,
 huizen slapen zwijgend

de dag breekt uit in straatrumoer
als mieren in de stad van miniatuur,
ziet de piloot van uit de hoogte
een ruimte die hij beneden niet bezit

wat doet de man in de straat,
niemand zal het weten,
alleen de files blijven ons bij
en een knagende angst
voor wat komen gaat

De rust is weergekeerd
het hart zijn slag herpakt,
de harde tijding zindert nog na

Een dag van tobben en denken
aan de reling van het terras,
zie ik nog het groene gras

De vogels fluiten niet, ze praten,
hebben de jongen te laat het nest
verlaten? het weer was slecht,
maar aan eten ontbrak het de merels
niet, in het natte gras waren
regenwormen een vette prooi
————————————————–

 


 

Ik loop door mijn gedachten,
verstrooid naar de penselen
wanneer de zon de bergen raakt,
verdwijnt in een krans van vonken,
een dag die de hitte absorbeerde
glijdt rustig mee de ruimte in

verf onaangeroerd
het beeld hypnotiseert,
wat ginder gaande is
dreunt in het geheugen

men zet het op papier
maar zet niet alles in de verf
————————

Diep in de schaduw van groen en bloemen
gaat hij zijn gang, het pad van eenzaamheid

Ergens wacht een vrouw, verdronken in verdriet
ontvangt je met open armen als vleugels in het niet,
de opvang in mistige herinnering weet met de liefde
geen raad, in ’t onbelangrijke, in ’t egoïsme van ’t bestaan,
men denkt de warmte erbij van een hart koel en kil,
geen afstand neemt van eenzaamheid

alleen de hond maakt geen onderscheid

                                                                                                                                                  

 


Door een vloed van water en golven
wordt het oude huis door modder bedolven

er komt geweeklaag uit het huis,smart
en pijn dat langs oude muren druipt,
zinkend, roepen zij verlangend naar de tuin 
die zwanger is van bloemengeur,
het is een spoedgeval,
mist komt opzetten, dekt alles toe

wat achter blijft in het geheugen
zal als herinnering niet verheugen

Je bent er op kousenvoeten,
ontsteekt het vuur in de late avond
verbaast dat de wereld nog bestaat

Als een artiest neemt
je afscheid, en blaast
alle schaduw weg

In het vreemde huis van weemoed
waar de muren geluiden weven,
speelt het laatste daglicht
hangt verlangen lief te hebben,
vreugde om elkaar die kans te geven

Een lichaam dicht bij
en toch ver af,
om weer alleen te zijn

 Wangen worden gestreeld
door avond-geuren,
de hemel met zijn sterren
sluit de deuren

Naar lavendel roken de lakens,
waar ik me vleide aan je zij,
het ontwaken heb geproefd
het genot elkaar te raken

Hoeveel woorden zijn er nodig
tot een doorn als verstekeling
aan boord van het leven
komt gekropen

Verlangen dat opstijgt
uit je diepste ik

rotsen splijt,
het hart openrijt

Dwaas en ongeremd
in zonnige morgenwijn,
een onbekommerd moment
hunkerend naar samenzijn

Langs de kier van d’ hunkering
slaat het verlangen op til,
met de geur van duizend rozen
wordt je diepste verlangen stil

Langs het openstaande raam
onder een mistige zon vandaan,
komt langgerekt een wind gewaaid

rukt aan de wingerd van het
raamkozijn en valt tussen de rozen

meer is ook het leven niet
draait eenmaal om zijn as
met of zonder hindernissen,
als het geluk de klippen kan omzeilen
zal het vallen op zijn tijd en in de pas

Ik delf in mijn gedachtegang
tracht mijn woorden zin te geven,
ontrukken diepgewortelde gevoelens
aan hun gevangen zijn

ik schrijf ze uit, zij die geen
nood aan woorden hebben
benevelde beelden dwalen
door het brein, stoute dromen
die gretig terug willen komen

ik bescherm mijn woorden,
leg ze te vinden in het bloembed
van mijn geheugen,
en gehersenspoeld door
de 
indringende geur, kijk ik weer
normaal op het beeld van mijn p.c.  

Weg is het frisse groen
der jonge jaren
rimpelig de hand die de woorden
tracht te verschuiven in
de vooruit gelopen ouderdom

een wazige blik staart in de verte,
wind rukt aan de bomen, het
verdorde blad valt,
zijn einde is de aarde, 
dromen verwarren en
een rustige slaap ontspoort 

bij het ochtendgloren 
voelt men klam en kil,
 vermoeide ogen uitgewreven
ziet men de dag in de blik verdreven 

Blijft de angst me omringen
in het diepste van mijn hart,
wat is louter spel der zinnen
de laatste minnevogel horen zingen?

moet ik me niet houden
aan de regels van het spel,
onze jaren laten tellen
ze zijn voorbij, ze zijn van ons

ik wil geen afscheid nemen
heb nog te veel in petto,
een leven vol te schrijven
de woorden rollen uit mijn stylo

                                                  
Paden met distels en rozen
zijn in ons bestaan geslopen,
het geluk dat ons bond
was breekbaar en kon breken

wat verborgen zat in ’t avond-land
van regen en mist,
wat in ons hart verborgen lag
aan begeerte en list,
viel af in woorden
die ons deden zwijgen
niet kon samen rijgen

is er een uitweg voor kwelling en pijn?
de vrijheid van ons werkelijk ” Zijn “

 Tussen de mail-post
zat een roos, neen,
eerst een boeket viooltjes
voor mijn verjaardag

daarna een roos
( met gedicht, hoe kan het anders ) 
voor moederdag

ik vond het leuk
geen verplaatsing, plicht gedaan
zoiets print ik uit, krijgt
een plaatsje aan de muur 

ik stuur een berichtje om te bedanken
en er komt prompt een terug
” website in een nieuw kleedje gestoken”

dat is de taal van hem
die zorg draagt voor mijn p.c.” onze Jan “

Van uit de trein zie ik de bomen
als een haag aaneen geregen,
het landschap schuift voorbij,
het zicht op de natuur te vlug af
een bewolkte hemel gaat er over
heen, de zon spuit kleur, de wolken grijs,

door de smeltkroes van ons leven
raast de tijd een trein gelijk

te weinig staan we stil
bij ontheemde volkeren,
wij in onze welvaart-staat,
blakend van opportunisme

===========================

De aarde hangt scheef
tussen winter en zomer
regen druipt langs de ruiten
trieste beelden van verveling

een eenzame vogel
zoekt het veilig nest
de klanken uit de radio
hebben een averechts effect,
de kilte steekt een handje toe
juli met de verwarming aan
erger kan niet……..2002 

De cirkel is doorbroken
alles blijft besloten in een
onzekere werkelijkheid onder
druk van sluimerend iets 

slingers van gedachten
worden uit elkaar gehaald,
in nachtelijke stilte opgeborgen
voor rust en vrede heeft men gefaald

in onherkenbaar niets dringt
de stilte door merg en been
onverklaarbaar uit het verleden
klampt men zich nog vast aan
iets…….onhoorbaar niets 

 


Vandaag en nu

In ’t avond-land is mist op gang gekomen
de warme dag ontsnapt aan de aarde,
schapen bewegen rustig in de schemering,
geen geluid van ruisend graangewas

alleen jij en ik, bedenkend
hoe veelzijdig het leven was
herinneringen wandelen binnen,
nu is hier, we vouwen het verleden
netjes in de plooien van de tijd,
het verleden is geweest
de toekomst moet nog komen 

 

 



Ik ben getroffen

in ’t diepst van mijn hart,
heb ik nog zoveel liefde
als ik ooit heb liefgehad,

in ’t donker van de ogen,
in schemer en in mist
droomt een beeld, staart,
blijft staan en verdwijnt,
ontwijkt als je grijpt

het evenwicht bewaren in je leven,
werkelijkheid en dromen
kan je elk moment overkomen 

======================

Een haveloze dag zonder zicht,
regen klampt zich aan de ruiten,
een zomer die geen zomer was
verdween zonder gedonder
achter de horizon

van de daken verdwijnt het groen
het nestelt zich tussen de stenen
van het natte tuinpad,
echt een geluidloze zondag

geen vogel in de lucht, het is
alsof ze op slag verdwenen zijn,
ik ben zo gewoon aan hun gekwetter,
zelfs de hond komt niet uit zijn nest

ik voel me rot, en ga me troosten
met een bakje troost,
muze…kom je mee

vogels zingen als
de mensen gelukkig zijn 

 Gedachten tollen,
een vreemde droom,
die niet wijken wil

steeds hetzelfde beeld, bik
van steen, stem uit het verleden,
hij mag er gerust zijn, maar
verdwijnt bij het ochtendgloren 

in mijn slaap kan niemand mij
beroven van een vriendschap, die
ik af en toe ontmoet,
het beeld met een blik die stilaan
verzacht, en mij vergezelt in de nacht,

misschien heb ik hem ooit gekend 

Kan het waar zijn als ik wakker word dat
je naast me ligt in een bloemenhof
van vergeten dromen, 

een herinnering die berust in het verleden,
het gevoel van passie in het beleven,
tot het verdween in de duisternis 
niet meer te overleven in deze tijd
van onrust, tot ik je weer ontmoet
in de bloemenhof van dromen
en doe alsof je me verrast 

 

 

 


Gras tussen oud afval
achter het verwilderd tennisveld
de duinen, scheefgezakte huisjes

ze zoekt het huis van de foto
de buurt waar ze is opgegroeid,
mensen uit haar jeugd
alles is nieuw, veranderd

de kust uitgebreid met beton en cement
de duinen krimpen, het strand versmalt

afwezig tuurt ze over zee
de veerboot meert aan
mensen komen en gaan
het wolkendek verschuift, 
regen druppelt op het fijne zand

ze neemt een besluit
gaat naar het hotel, pakt in
en keert naar huis, de plek
waar men haar nodig heeft
en waar ze gelukkig is

Deel je rust met mij
in de schaduw van het leven,
leg even penseel en verf opzij

het verleden heeft veel gegeven
aan schoonheid van steden en natuur
oud en nieuw gaan hand in hand
hier en elders, van land tot land
teken het, beschrijf het,

men heeft zoveel aan herinneringen
waardoor men niet beseft, dat
de winter staat te dringen 

Terwijl het bloed stroomt
in zachte aderen, geen uitweg vindt
in stram geleefde benen kan het hoofd
de kleine oneffenheid niet verwerken

er wordt gesneden in het geheugen
dat in zijn voegen wankelt

ver weg is het verleden
lijkt een eeuwigheid geleden
andere tijden, andere zorgen,
andere ongemakken is de regel
van des levens vier getijden 


                  


Vroeger en nu

niets zeggen in de stilte
de poëzie van langzaam beginnen
 alles is zo ver weg
elke foto straalt verleden
neemt bezit van je emotie

zo is het nu 

moeder lachend, verteld zowaar een grapje
en daar met ons jongste kleinkind op schoot 
één foto gaat nog verder
wie is die jonge vrouw
die lachend haar eerstgeborene
in de armen houdt

zo was het vroeger 

ik gluur even in de spiegel
tcha: enkele trekken lijken nog wel
zo is het nu

heerlijk 

Het ritme raakt even van slag
bij een winderige dag,
hoge populieren buigen als
riet door de  forse wind

het heimwee breekt de zegel
van opgeslagen herinneringen,
momenten van liefde en geluk

de wind moeit zich,
neemt je mee terug in de tijd,
wentelt en zet je op de plaats
waar de droom begint,
dingen die men wil vergeten

ik heb de liefde in mijn hart
voor de dingen van vandaag
die morgen herinneringen zullen zijn,
en beschouw elke dag het leven waard 



 

 

Zuiderse mijmering

de zee strekt zich wellustig uit
in lichte wenteling,
naar de einder zonder einde,
verandert van tel tot tel
tot de avondzon
transparant het aanzicht sluiert

ik keer me af en zoek het terras
hoelang is het geleden
daar…..op die stoel
een beetje langszij van me af
die jij daar plaatste in de zon,
hoeveel jaren…..
al mijmerend in eenzaamheid
vraag ik het me af

Als de droom ontwaakt,
en verlangen wordt
de streng doorknippen,
de vleugels spreiden

na de start:
een geschenk van God,
de ruimte in al zijn stilte,
zonder woorden

langs de horizon
gaan de vleugels trillen
van spannend naakt,
gevecht tussen aarde en lucht
voor uitgerafelde woorden
op de vlucht 

====================

 Letters liggen onaangeroerd
door een kier van ’t leven samen gesnoerd,
al wat ons raakt is een deel van het verleden

en keert het eenmaal weer
zorgeloos en vrij gemaakt
van alles wat onze jeugd
heeft vergaard,
de omstrengelingen
in elkaar gevouwd
zijn gegaan voor eigen haard

de tijd gaat dicht
géén letter meer in het gedicht