De Muze wenkt

 

de traagheid

de traagheid van het verlangen
vermoedt het langzaam breken van tijd
spontane momenten van tederheid
doorzichtig in de plooien van de tijd

men vervalt in herhaling
vergeet belangrijke dingen
in de herfst valt het blad van de boom
een leegte wordt toegevoegd
men zit vast aan herinneringen
elke handeling,elke stap
zet men voor het laatst

niets is nog zoals het was
op alles staat een tijd 

in momenten van denken

als ik er niet meer ben
laat mijn woorden niet vergrijzen
leg ze niet in een vergeten map
gooi ze niet in de haard

geef ze aan hen die houden
van poëzie en fantasie
laat ze meeleven in een wereld

die ik eenzaam maar niet alleen
door mijn gedachtegang laat gaan
de muze laat rustig begaan
zolang er kronkels zijn in mijn bestaan

nu zal er niets meer komen

nu zal er niets meer komen
ook het verleden sterft in de dromen
alles wat reeds wankel is
aan toekomst geen ontkomen
leven met het verleden door het heden
al moet men er voor vechten
het vergt tijd om te wennen
het leven niet meer te verkennen

ik lees de woorden voor mezelf
het gras spreekt, de lucht en het water
het komt me bekend over
het verhaal bestaat niet
de feiten zijn verzonnen

ik leg het boek opzij,
de wereld slaapt in

ik maak het af
en bedenk het zoals 
ik het zie voor mezelf

nodig zijn

de pijn van geleden verdriet
schuif je niet opzij
diep in mijn woorden
zoek ik dingen die
niet nodig zijn om te
voelen dat ik je nodig heb

‘later’ wordt angstvallig vermeden
een woord zijn zin verloren
in de oud geworden tijd
‘nu’ beleven we het ‘later’
van vijftig jaar geleden

aan de bedoeling laat ik de twijfel
het ‘nu’ vind ik goed
want ‘toen’ bedreef ik geen poëzie

===========================

wat ik al de jaren

wat ik in al de jaren vergeten ben
waar ik mijn jeugd en
kinderjaren heb gesleten
zou ik het liefst niet vergeten

bomen en bloemen zijn veranderd
mensen die er toen niet waren
het leven is voorbij zichzelf gegaan
gehaast, te vlug overal vandaan

er komt eenzaamheid
gemis en pijn
ik hoor wat zwijgt

 rust begint zijn laatste dagen
dagen die sterk moeten zijn
om het verleden te dragen

laat ons verdwalen in de
herinneringen van onze jeugd

over de vouwen van de vallei
legt de avond haar schaduw

in lege nachten peil ik mijn
geheugen naar de verbeelding,
vervaagd, niet vergeten,
in de dagen van ouderdom
berustend in berouw
van tevergeefs geluk
zal ik herhalen voor jou
wroeging is niet voorgoed voorbij

op weemoed van dagen
in de stilte van de nacht
slaap ik in de warmte van je hart

 

 

 

 

in stille dagen van het jaar
als de zomer aan de laatste draden hangt
de horizon achter de heuvel leunt
en een stoppelveld het schijnsel vangt
snoepen appels en peren
de laatste zomerwarmte weg

=====================

herfst

in een kring gaan de dagen open en toe
het is oktober en het groen handhaaft zich

soms lijkt voorjaarslicht
door de bomen te komen

en plots veegt de wind als een
bezem langs de boomkruinen
verkleurde bladeren dwarrelen
op het plat begane grint

een hond blaft naar
de duiven die foeragerend
onder de bomen tippelen
het landschap is herschapen
de herfst viert hoogtij

voert voor drie maanden de heerschappij

takken rukken

 takken rukken aan de winterkou
sappen popelen
dromen van voorjaarslucht

                   nieuwe woorden ontdekken
                   zou dat kunnen

zoeken naar opzij geschoven momenten 
misschien waar bloemen spelen
in een vrolijke zon, kinderen lachen,
het hart verwarmen

woorden die me achtervolgen
van een late film die de nachtrust
verstoort, onrealistische gedachten

                     de vertrouwde omgeving
                     voelt de nakende nieuwe dag,
                     tijd om zichzelf weer te vinden
                     in de oude rustige sfeer
                     van het vroege ochtenduur 

In ’t avondland

in ’t avondland is mist op gang gekomen
een warme dag ontsnapt aan de aarde
schapen bewegen rustig in ’t schemerland
geen geluid van ruisend veldgewas

alleen jij en ik, de weerspiegeling
van een leven rijk aan ervaring

het leven van nabij bekeken
het dagelijks brood,

vruchten uit het verleden
vallen welwillend in de plooien
van het heden 

 

 

————————

op hun tenen lopen de letters
het gedicht uit,
nooit gepoogd te openbaren
wie zich schuil houdt
in mijn dromen

ik heb mezelf herkend in
een bijna volmaakte scène
ik heb gemerkt waar
waar mijn hart versnelt
één moment, en ’t werd… te vaag
een reikende hand… veel te traag 

ik zie een tuin, het is mistig kil
een deken houdt me warm
het beeld vervaagt
alles verdwijnt wanneer
de ochtend daagt

op hun tenen keren de letters weer

een ochtend welgezind
bleke zon wordt neergezet
op september najaarskleuren 

muziek hangt aan de gordijnen
door de stilte van de bomen glijdt
het naar binnen, fluweelzacht
als room in koffie

op de gedekte tafel
prijkt het ontbijt
wat men lust
laat ik in het midden

ik strijk onbewust met
mijn hand over het tafelkleed

hoe is mijn stemming?
goed bedoeld de dag in
of voor-uit denkend,
dat doen we niet vandaag 

er is een verleden

er is een verleden om van te dromen
waar de tijd nog een toekomst had 
in ’t goudgele licht ver achter bomen
van liefde en de vrede, waar
men het altijd over had 

de zomer amper uit de lucht verdwenen
met een donderslag de aftocht blaast
bij de triestheid van de regen
keren gevoelens met dezelfde haast
men duikelt weer in het verleden
want een toekomst heb ik niet
bij Gods genade leef ik van dag tot dag
liefst dan wel een dubbele dag 

voor dag en dauw

voor dag en dauw
ontwaken in de vroege ochtend
met de lust iets te beginnen

voor dag en dauw nog iets verzinnen

het jonge gras heeft water nodig
ook de dorre bruine aarde
bevolkt met minuscuul leven

frisse lucht vult de longen
en de hond doet zijn plasje
op het stukje grond waar ik mij bevond 

wat wordt het morgen

wat wordt het morgen
de ochtend hangt over de stad
het lawaai breekt door
dromen schrikken

terrassen worden neergezet
het rumoer komt op gang
ik leg mijn wensen
voor de nieuwe dag
in de handen van de tijd
de ruimte bepaalt waar ik ga of sta

op één plaats staat de tijd stil
daar waar ik lees – schrijf en fantaseer
waar een gedicht ontstaat

gedachten blijven hangen
een zin soms vervangen
wat wordt het morgen
wie kan daar voor zorgen? 

gekraste letters

gekraste letters in elkaar gehaakt
gekromde vingers
handen die de tijd ontlopen

bloemen dansen voor het raam
in de laatste warme zonnestralen

de meiroos uitgebloeid
gaan de rozenblaadjes
met de wind in lichte vlagen
zo verdrietig
met ingehouden vragen

een luw dal
vochtig geurend
naar groei
langs de snel lopende beek
klavergroen – zijdezacht
overspoelt de berm

ik schud aan mijn geheugen
een herinnering waarmee ik praat
zit op de lege plaats
               wat betekend tijd
               als men stopt met praten
               schrikt de dood
ik ben gelaten

de sterren aan de hemel
raken het opstijgend verlangen

vanuit het geurend luwe dal
waar nevels blijven hangen

 als sterren stijgen

er stijgt een blik van liefde
als sterren stijgen in de avondrust

ik zoek de tijd te doen herleven
in de luwte van de avondstilte
waar ik als kind speelde
en niet wil vergeten

vergane dahlia’s en rozen
een late merel
langs mij scheert
waar wij met vader – moeder
een tijdlang hebben verbleven

de jaren waren kort
moesten altijd vriendjes achterlaten
later waren het vrienden

 nostalgisch

in warme leegte, vergeefs verlangen
neem ik de brief
die in de geur van gisteren ligt
in een boek, mijn beste
een brief van negentienhonderd 44
samen met een verdroogd
vergeet – mij – nietje
de bloem van ons leven

je schreef geluk – ik heb je lief

eens vlijde ik me aan je zij
op een doorgezakte oude bank
schuchter kwam de eerste kus

lang heb ik aan jou gedacht
een toekomst was niet verwacht

het lot besliste
ik heb alleen je brief nog
en mijn herinnering

in rust en vrede

in rust en vrede
in ’t stille voorjaars-licht
nog voor de schaduw ’t nest verlaat
waar eenden praten in de vliet
is geen schuilplaats voor verdriet

laat de tijd zich erbarmen over de liefde
de klok even stil doen staan
dat was in het verleden
geen ontkomen aan
de klok moet verder slaan

de liefde ontplooid in het heden
zal voortaan in rust en vrede bestaan

een rustgevende dag

een streling van licht komt binnen
schuift door de kier van afgedekte,
met zon overgoten ramen

in de middagpauze

kwellingen van lichaam en ziel
drijven met de straal tot ze halt houden

de geest haakt af
in vergetelheid
rust dringt zich op en
langzaam sluiten de ogen

de muze heeft haar taak volbracht
schemer verdrijft de dag
naar een rustgevende nacht

tijdloos

tijdloos staan de miniaturen
        in goud op het perkament

waarop het wemelt van fragmenten
        geschreven in het schone schrift

op vleugels van poëzie 
        de figuren losgelaten

door monniken met eindeloos geduld
         engeltjes als cupido in krullen gehuld 

die handig pijl en boog hanteren
         tijdloos met goud verguldden

Eros handig verscholen
          tussen maagdelijke schonen

hier wordt beslist
naar menig legende gegist 

witte en grijze wolken
volgen elkaar in stijl
sporadisch een bui 
waarom zou het niet regenen
ik vraag het me af
dan blijf ik binnen
nat van kop tot teen
ik ben niet van steen

ik heb geen regen nodig
dat is voor plant en bloem 
maar niet te veel, aan
verdrinken zijn we nog niet toe 

het is te vroeg
voor dit onheilspellend gedoe 

laat ons gaan

liefde straalt op het ontwakende leven
liefde ontstaat, warmte, nemen en geven 

een waterdruppel
een parel gefilterd
door het zonlicht
streelt zacht de huid

liefde en verlangen ontglippen 
mijn innerlijke gevoelens,
gedachten verwarren
het ritme van mijn doen en laten

laat ons gaan – hand in hand
naar het licht – voorbij de horizon 

een nieuwe dag

een nieuwe dag, nog iets te fris
met vogels die dolblij ontwaken
als de haan kraait bij ’t ochtendgloren

op tenen loopt de nieuwe dag
over gras en kille dauw

koffie en boterkoeken
of zal het yoghurt zijn

dan vlug het werk doorlopen
wedstrijden en publicaties
alles heeft zijn tijd
en zeker zullen zij meer weten
dan ik in mijn gedichten schrijf
maar weten kunnen ze niet
wat in mijn geheugen achter blijft 

de natuur heeft weer een gril

het ruikt er naar vocht en seringen
in het voorbijgaan,
wegen met kronkelingen
zwijgende paden waar
bloemen zijn ondergegaan

een blauw gat valt in het grijze wolkendek
het is alsof ze elkaar omhelzen
de koude lente houdt aan, maar heeft
nog jonge geheimen hier ver vandaan
het licht is er zo stil

de natuur heeft weer een gril

de zon kraakt de wolken

dringt door op het platte land
knoppen barsten open
ontvouwen blad en bloem
ik neem ze voorzichtig in de hand

dagen ijlen voorbij
in de zoetheid van het leven

een nieuwe lente is geboren
het wemelt van leven
aan de voet van de bomen
waar de wind struikelt
tussen blad en mos,
een wereld van geboorte

waar ook de mens altijd hoorde 

LENTELIED

knoppen springen 
onder de geur van seringen

het is een tijd van herhalen
als hagel uit de hemel komt dalen

de meisjes in hun jurk van katoen
geven gretig de eerste zoen

bloemen ritselen met bladeren
voelen de groei in hun aderen 

van bloemen en kinderen
kan men de groei niet verhinderen 

voor Bijron

rozen-struiken spreiden
schaduw over de grond
dauw legt zich op het gazon
pareltjes op de rozen

er hangt een geur van lente-bloesems
kostbare herinneringen 

en intussen

herneemt het jongste kleinkind
zijn doopgelofte
een teken te meer
hoelang zijn wij er weer
méér dan drie kwart eeuw
gewerkt – gelachen – geweend – gefeest

de jongste vangt de tienerjaren aan
de oudsten hebben hun plaats
in de maatschappij gevonden
en wij zijn blij, er nog bij te kunnen zijn

8 juni 2003

seizoen-wissel

op de vijver
blaast de wind verdwaald
achter de eendjes aan

gehecht aan het oude huis
rijpen geduldig appelen en peren
in een weelde van boterbloemen

de zomer op zijn zomers-best
met liefde en al de rest
in warme zwoele nachten

dan…ongemerkt keert de aarde
draait ze voor drie maanden
want elk seizoen heeft zijn waarde 

toen was het anders

het kleine meisje dat naar
school fietst in regen en wind
langs de straat met kinderkoppen
langs bos en velden
vecht tegen de wind in

bij een rukwind of donderslag
rijdt zij zich door een hartslag 
die op het ritme van haar
pedalen vooruit loopt
zij alleen voelt de schrik
niemand ziet in haar ogen die blik

in de oude dagen van het leven
is de schrik nog voelbaar
als de kleinkinderen horen
over de tijd dat alles anders was
luisteren ze met weinig aandacht

” zij ” worden immers met de wagen
naar school gebracht 

 

 

 

 


afwezig – peinzend
kijkt men de winter in de ogen

schrikt van de rimpels
die ouder worden
het landschap van de handen
dieper getekend, zullen eens
de laatste woorden schrijven
de laatste tekening maken

in de nabije toekomst
uitlopers van het leven getekend
omgezet in woorden
die onze gevoelens bespelen

hoeveel zomer’s en hoeveel winter’s
zullen handen en geest elkaar nog verstaan

ik heb er nooit bij stilgestaan
dat het leven zo snel voorbij kon gaan 

weet je nog de tijd

dat we ergens naar zochten
iets dat we wilden
maar niet vonden
hoe grijpen , begrijpen

hoe we dwaalden in ons denken
geen toekomst getekend
in verwarde oorlogsjaren
het was ons niet bekend
wat het leven ons zou geven 

en zo gingen de jaren één na één
tot het noodlot ons scheidde
en wij nog altijd niet wisten
wat de toekomst ons verbeidde

het werd een leven zonder jou
diep in mijn hart bewaar ik
een stukje van jou 

de toetsen missen

in dwalend licht
met vingerkrampen
in het winterland van woorden
staan ze koud en onbegrepen

                 het zijn mijn vingers 
                 die de toetsen missen 

in het magere landschap
geen enkel verheven woord
dat zich tot een gedicht wilt richten
er is geen gezag aan boord
in de lege kamer van de dichter

men mijmert de uren weg
verdrinkt in dromen
dieper en dieper tot op de bodem

                   de muze staat versteld
                   zoiets is ze niet gewend

ijsbloemen op de ruit

de ijsbloem op de ruit
die in de nacht weer bloeien gaat
vloeit in tranen uit

lampen gaan aan
zwak alsof ze niet bestaan 

kringen in de tijd 
van dagen en nachten
omringen de enge gedachten

lippen die proefden van liefde
handen vertelden tederheid

traag en lang duurt de dag
lang en traag is de nacht
overdekt met een laagje stilte 

stemmen van verval

je hoort stemmen
in het huis vanwaar je komt
het gesprek valt stil
er zit een verhaal
in zwart verbrande balken
wilde druiven
wilde rozen
nestelen zich in en rond het verval
schilfers afgevallen ouderdom
fresco’s doorzichtig geworden schoonheid
een geschonden beeld van steen
overwoekerde naaktheid
omhelzing verbrokkeld
tijd maakt geen onderscheid