Natuur gesprokkeld

In lentes naam
Gij kunt het nog
Beluister en bewonder toch
Het groen, de bloemen en het gras
Want ik verkwijn als dor gewas


De dag eindigt in rust
een avond in de maand mei

het geurt naar linde en naar vlier
ik loop door de weide
een droom van bloemen-weelde
de avond beweegt langzaam
legt zich neer in zonnige kleuren

huizen gaan dicht
frisse buitengeuren hebben zich
uitgestrekt achter gesloten deuren

met een adem vol poëzie
door de muze kwistig ontstaan
grijpt men naar pen en papier
laat men in gedachten
de woorden hun plezier


Ik houd van rozen
Een volmaakte bloem
Ik heb ze gekozen
Om haar koninklijke roem
Menigmaal geschilderd
De roos in al haar kleuren
Het heeft me nooit gehinderd
Een palet vol rozengeuren

              

In ’t voorjaar als de merel fluit, zoekt
daar mijn weekheid de dagelijkse buit?
een voorjaars-avond met bottend groen
die de lentenacht zo diep ontroert

jonge populieren geliefkoosd door
zachte winden rillen van puur genot
samen met moeder paard grazen
pas geboren veulens van het malse gras
de maand juni in vergezicht
de rozen op zijn mooist

mijn neus gaat langs de geur
mijn hand strijkt langs de kleur
———————- 

Men merkt het aan de bomen
de eerste tekenen, ‘ t is te zien
van de lente zijn aangekomen
de getrouwe bloemen neigen, ik dien 

kleine bewegingen, kleine geluiden
kantelen en buitelen in lentewind
de ogen niet sluiten
de natuur is ons goed gezind

traag de weg aflopen
blaadjes mee zien groeien
aromen komen aangeslopen
van rozen die gaan bloeien

de zon die ik begeer
laat haar warmte op mij neer 


Als een kanten sluier
hangt de mist in de bomen
op een briesje wandelt
de geur van een roos voorbij

achter een goudgeel scherm van graan
met bloedrode papavers gaan
kleine boerderijtjes schuil
heerlijk gaat het landschap open
zo moet van Gogh het hebben gezien
veel geel onder een stralende zon

de natuur bezit dat tikje speciaals
voor bepaalde mensen die
haar met gevoel benaderen
en dat gevoel zinvol willen uiten


Als ogentroost bloeit, zijn we in mei,
beleef met mij de verwondering
van het vroeg getij.
een vlinder vloog onaangemeld
van bloem tot oog

ik zag de schoonheid
van zijn vleugels,
zijn dagen zijn geteld…
een vogel die zijn zang herneemt
in de roerloos begonnen dag;
geeft de lente iets bijzonder mee,
zingt hij misschien voor mij?

 


Gewoon in het bos
elk najaar,
laat een vermoeide boom
zijn bladeren verkleuren

wandelen, joggen, genieten,
van geuren tussen het mostapijt
krakende takken onder de voeten,
konijntjes verdwijnen onzichtbaar,
vogels vliegen op
gestoord in ’t foerageren;

de verrukking niet onderdrukken,
om steeds het bos te verkennen
en wie beweert dat hij
nog nooit een kabouter heeft gezien?


Het najaar doet proper werk
haalt verfkwast door de bomen
smeert herfstkleuren
en een nieuwe geur

de zon struikelt
en valt op mijn schoot
elke dag een stukje lager
tot ze opkomt
en meteen weer valt

de winter op zijn hoogtepunt
in het verouderde jaar
naar het einde toe
de kou te moe

en zo komt de lente
weer een maand te vroeg

===============


Zomerfestival

de tuin tovert
een plekje tere kleuren
aan de kleine waterval

het kabbelend geluid
een watersymfonie

het vrolijkste plekje
om wat zon te pakken
frisse lucht te happen

onder de wuivende takken
van de treurwilgboom


De dag rukt aan de dageraad
haakt zich vast in de nevel
die nog slingert tussen de bomen

de zon veegt alles weg
en schittert welgezind
zonder sleet – op alles
dat in vrijheid leeft

winterslapers zijn weer op pad
wrijven zich de ogen uit
schudden de aarde af

de natuur houdt ze allen in de gaten
tot ze weer gaan slapen


Sonnet: De wilde roos

Het is een wilde roos zo teer
Ziet het leven in een zucht
Vlinderwit bezoekt haar keer op keer
Ze drinken saam wat blauwe lucht

Een deel van de tijd
Hebben ze zich niet verveeld
Leveren hun strijd
Samen met moed verdeeld

Na een treurig afscheid
Vallen vlinder en roos
Tot sterven bereid

Er bloeit een nieuwe wilde roos
Door haar schoonheid gevleid
Komt  witkopje na een poos


Takken trillen als snaren
in zachte zomerwind
wiegen het hongerig vogelgebroed

de merel kweelt zijn hoogste toon
moeder maakt de wormpjes schoon

duiven hebben de heerschappij
over dakrand en terras
hun nesten in stabiele bomen
die niet wijken voor de wind

de meeuwen zijn naar ’t stad gevlogen
dichter bij de stroom
en de kauwen? nestelen zij misschien
in ’t park van Middelheim?


Vanonder de rotsen
kruipen de pissebedden
waar de steen is verlegd

Cupido nog in goede staat

Frist zich op in de vroege
lenteochtend onder de regen
die traag drupt op pijl en boog

Als hij gezelschap krijgt
van hommels en bijen
de bloemen hun kelken openen
het zachte mos zijn tenen kittelt
warmt de zon alles op
kleuren schitteren in
voorjaarsgeuren

ieder jaar – iedere dag
is er een om van te genieten


Geschreven op een nieuw blad

de tulpen staan weer te pronken
met kleuren die van schoonheid vonken

oude bomen schieten
groene blaadjes
hebben niets meer te beloven
leven verder met verborgen dromen

de berk voor’t raam heeft een nieuwe vacht
hij buigt en zwijmelt door de bries heel zacht

alles staat er netjes opgeruimd en blij
de kiezeltjes gewassen op het pad
elk bloemenperkje met de naam erbij

geschreven op het nieuwe blad.


Na het ingezette offensief van de herfst
de zon in kracht afneemt
drijven de wolken saam
 razen met storm over het land

de bomen zijn kaal
een dwarrelend blad valt en rot
zit in de modder
met wormpjes te ravotten

winter is in zicht
algauw een nieuw jaar
brengt het ons een ander gevaar?


Als de sneeuw gaat vallen,
en de dagen glanzen als kristallen,
de avonden vol helderheid,
serene rust brengt in onze zekerheid…

geen vogel meer te horen:
de sneeuw, als stuifmeel meegedragen
door de wind, op achtergebleven korenaren
valt in rustig sluimerende voren;

als bos en hei de schoonheid
van het landschap in deernis achterlaat;
ruimte geeft aan lentebloesem,
is de aarde zwanger van verwachting,
de eerste sneeuwklokjes tingelen
hun witte kopjes nauwelijks opgeheven


Als wierook verspreidt
de mist zich tussen de struiken
in het ijle van het landschap.

weiden en velden
ruiken de nakende lente.

rillende bloemen nemen een kijkje
jonge blaadjes fris en groen
hechten zich kwistig aan de takken.

Ik schud de kilte uit mijn kleren
en ga de zon begroeten,
men wordt dronken van woorden
die reiken naar de komende lente
het mooie seizoen van geuren en kleuren
waar men heerlijk kan in onderduiken.

 


Heerlijk, hoe de rozen bloeien
langsheen het kiezelpad,
wonderlijk om zien
hoe elk blad zich schikt
naar volmaaktheid
rond het hart.

 

Woorden legt men
 op verrukkelijke beelden
in de stilte lispelt de waterval 
vermengt de smaak van kruiden
  die op de lippen na-branden.
o
ver de zomer hangt herfst-mist

de eerste tekens door ’t vallen
van een blad – meegedragen
door de speelse wind.
morgen zal men het niet meer vinden.

de bomen duchtig geschud zullen
hun bladeren in geur en kleur
spreiden op het groene zomergras.


Over de tuin van lentebloemen
een azuurblauwe lucht
bewerkt met witte wolkjes.

Een pittige zon straalt warmte
over het kleurentapijt,
het sprankelend water
van de fontein
aan pareltjes gelijk
zijn met geuren besprenkeld.

Nog rapper dan rap
neemt mijn hond een stortbad
een weldoende afkoeling
die ik hem benijd.

Zoveel schoonheid moet vastgelegd
een foto hier, en nog een daar,
voor winterdagen als men het
foto album eens openslaan.

 


Op de bergweide wandelt de wind –
doet gras en bloemen zacht wentelen

Wazige blauwe lucht
spant zich over het dal
klokgelui galmt ijl in de hoogte
weerkaatst tegen de bergen
waar de nevels oplossen
in zijn donkere flanken

In de buurt bij de
zoutmijnen van Hallein
een regenboog met parelende
kleuren door de wijd opspattende
druppels van de watermolen,
het geeft aan het brede
landschap iets melancholisch…

“Tirol” in 1732 immigreerden
800 mensen ( mijnwerkers en boeren)
naar Nederland- Cadzand om hun
geloofsovertuiging.

 


De takken fluisteren onder
weelderige regendruppels,
en breekt de schoonheid
van het bos weer open.

Vrolijk in het nat gelopen als
kind met versleten sandalen
op de vlekjes zon die tussen de bomen
straalden. Het zachte mos vergroeide
kwistig met viooltjes, primula’s
en lelietjes van dalen.
Als in een sprookje tussen vlinders
die toen nog kleurig en dartel in
veelvoud waren. Vrolijk, zonder hinder
bosbessen voor confituur vergaren.

Het verleden, de herinnering, is het waard
om met zorg te worden bewaard
van dat kleine Brabants dorp
in Kampenhout 1937


Kilometers naar het zuiden
presenteert zich telkens iets nieuw.

langs een bosbeekje,
een snel stromend riviertje in wording,
op witte kiezeltjes gezeten,
weten dat achter de heuvelrug
de zee zich als blinkend edelmetaal
heeft blootgegeven.

langs bomen met
citrusvruchten en laurieren
bij opkomende
of ondergaande zon
in de stilte van de dag

het brommen van hommels en bijen,
de nachtegaal in alle tonen:
in een decor van klank en kleur
opgetogen zich laten vallen,
in lavendelgeur.


De wind schraapt zijn achterpoten
aan het grove zand
duinen zijn weg gewandeld
de zon valt in zee, een rode
horizon zakt in de mist

venen en moerassen verdrogen
tot de regen afwisseling biedt
bladgeruis verbreekt de stilte
ritselend…gesuis, een najaarslied

ergens in het oosten kruipen
rozerode schaduwen uit de struiken
bij zonsondergang – in het morgenlicht
kleurt de hemel zeegroene luiken

Schatten der aarde, kwetsbare schoonheid.
Hoe zal het je vergaan?


De zon komt vrolijk op achter
licht deinende heuvelruggen

Eros gluurt in de buurt

rond dichtbegroeide paadjes
die doodlopen op rivieren
en de oeverkanten raken
bewandeld door verliefde paartjes

achteloos vliegt een vogel voorbij
zet zich op een lonkende tak en zingt
uit volle borst een liefdeslied

ik voel me nauw verbonden
de eerste kus aan liefde ontsproten
de eerste woorden met tederheid gesproken

langs dichtbegroeide paadjes
die de oeverkanten raken


De nacht hangt aan de bergen,
de maan rust op een wolken top
kijkt welwillend neer
op de reuzen eik
met spinrag in zijn takken

van de hoge rotswand
komend vanuit de bron
stort het zuiver water
zich met donderend geraas

op gladde keien,verstuift,
baant zich een weg
verenigd met bosbeekjes
en kleine ruwe watervallen

om van kolkende stroming
in wijde open zee uit te deinen


Langs de weg,
waar het najaar zich nestelt,
in groeven en ondergelopen weiden;
resten uitgebloeide bloemen,
ongelijk in lengte
hebben er zich bijgelegd;

woorden slibben weg…

een kleurloos doek
leg ik over de schouder;
de wind waait stormachtig,
regen plenst tegen de ruiten;
bomen kaal, van blad ontdaan,
kleuren gewist, en vergaan.

hier en daar een verbijsterde
verwaaide roos.


De herfst zit in de lift
schaduwen lengen
voorzichtig valt de zon binnen
geeft door de opengetrokken
wolken een laatste warmtestoot
glijdt langs de huid
voor een late verwenning

bomen staan bol van vruchten
het seizoen van appels en peren
druiven en kastanjes
van verkleurde bomen en
vallende bladeren
de winter in zicht
met minder en minder licht


Roerloos luistert de dag
Een merel zingt de vroegte in.
De maan schuift nog een eindje mee,
tot dauw parelt op gras en bloemen,
waar ongestoord vlinders fladderen
en bijen zoemen.

De dagen rekken zich lang uit,
gekoesterd door de warme aarde.

Wentelen in de frisse ochtenddauw,
tot ze druipen van het nat.

Richten zich op naar de wolken,
en schudden het van zich af.

De zonnestralen doen het nat vervagen,
de pret van lange zomerdagen.


Bloeiende bomen
laten me niet onberoerd
de perzikbloesem is bevroren
late vorst in het nieuw seizoen

paardebloemen
tussen het groene weidegras,
verrukkelijk met de schoonheid
van pas geboren veulens

een leeuwerik die
luidkeels orgelend
in de wolken verdwijnt
zich pijlsnel laat vallen – op het veld
het roert vanbinnen
geeft een goed gevoel
nieuw leven – een nieuwe wereld?


Als zachte muziek het oor streelt
kijk ik mijmerend door het raam;

ik zie de berken statig
in hun werk bekroond,
zacht hun takken
wuivend in een lentebries

de zon speelt spelletjes
met de groene bladeren
tegen een azuurblauwe hemel.

In gedachten zie ik verder,
verkleurde bladeren, geel en bruin;
jaar na jaar, telkens weer,
en altijd anders zal de natuur
haar schoonheid prijsgeven.

tussen flatgebouwen even mooi als ginder


Stroom langs oevers verdronken,.
Onder de druk van verscheidenheid
Dezelfde wind wordt gedronken
Door vogel, plant en nijverheid.

Waar polders en dorpen verdwijnen
Zal fauna en flora nooit verkwijnen
De natuur eist zijn tol en rechten
Langs de stroom waar oevers vechten.

De meeuwen laten nooit los
Vliegen steeds in ogenschouw
Nooit zoeken ze een beschuttend bos
Blijven Antwerpen en haar stroom getrouw.

=================================


Onder de blauwe hemel
de frisse geur van rozen
zingt de nachtegaal vol pracht.
maar ach – de roos die heeft geen oor
en hoort het niet die schone hymne
aan de liefde en de roos –

Ik heb je lief,  in stilte
 en wil je niet in pijn,
van het verleden zijn.

Ik geef een laatste bloem
een roos
de pracht van het seizoen
en verdwijn
als een luchtbel in een rivier.


IK ZIT
roerloos luisterend

in de vroege ochtendzon
een merel zingt vertederend
voor zijn nieuwe levensbron

IK ZIE
voorzichtig een web gesponnen
werkt een ijverige spin
zich uit de naad
voor het ontbijt: zo begonnen

IK HOOR
twee mussen in de dakgoot
kwetteren er lustig op los
heb je dat gehoord:
de familie stadsmus van het stadspark
op visite in ’t Peerdsbos
mij niet gezien: ik vlieg dichterbij
naar het Nachtegalenpark hier vlakbij

tsilp—tsilp platch!


VOLGENDE MORGEN

Meeuwen, duiven, kauwen,
scheren langs mij voorbij
raakt men nog wijs uit al dat gekrijs
gisteren vlogen de kauwen te laag
dat voorspelt regen, en ja hoor:

een kort maar krachtig onweer
heeft de boel weer opgefrist
en een schuchter zonnetje
de nieuwe dag ingeflitst

ze activeert een beetje bruin
op armen en benen
veel moeite doet ze niet
er wordt niet veel beschenen

de merel vond het vrouwtje lief
en heeft daarmee nu ook z’n gerief
de spin heeft haar web verhangen
groot gelijk: hier is niets te vangen
de mussen uit de dakgoot
waarschijnlijk met verlof
in het park met beelden
de naakten zijn er tof


In de schaduw van de lente
de knop tot bloei bevroren,
er zijn geen regels op het einde
de natuur wappert met de oren
schudt het zaad van onkruid
uit zijn wilde haren dat zich gretig
nestelt op paden en perken

de lente lanceert een aanval
het warme allesziende oog
spreidt groen met de kleuren
van de regenboog over alles heen

het maakt de mensen blij
zo ben ik – misschien ook jij

De wind glijdt door de bomen
strijkt langs het goudgele koren
fluisterend spitst de oren
op mijn weg vlieg ik verloren

Uit de tuinbedden wijst
een zachte zuivere geur
van viooltjes en nog meer, naar
een toekomst die op me wacht

 

Een statige zonnebloem kijkt op
…………….en lacht